BijbelJudith

Judith 15

Lees Judith 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De Assyriërs slaan op de vlucht, 3 en worden door de Israëlieten overal vervolgd. 9 De hogepriester komt van Jeruzalem om Judit te zien en te zegenen. 13 De huisraad van Holofernes wordt aan Judit gegeven. 14 En de Israëlitische vrouwen kronen haar met kransen.

1EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over wat gebeurd was, en vrees en beving viel op hen.

2En daar was geen mens die staande bleef voor het aangezicht van zijn naasten, maar zij liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht.

3En toen vielen alle strijdbare mannen van de Israëlieten tegen hen uit.

4En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en naar het hele gebied van Israël, om te boodschappen wat er gebeurd was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitrukken, om hen uit te roeien.

5Als nu de Israëlieten dat gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtig op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; evenzo ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het hele gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was.

6En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damascus en haar gebied gekomen zijn,

7De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen in het leger van de Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer.

8En de Israëlieten teruggekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de plaatsen en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte.

9En Joachim, de hogepriester, en de raad van de Israëlieten, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God aan Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken.

10En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden tot haar:

11U bent de verhoging van Israël, u bent een grote heerlijkheid van Israël. U bent een grote roem van ons geslacht. U hebt dit alles gedaan door uw hand. U hebt aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Wees gezegend voor de Almachtige Heere, ten eeuwigen tijde, en al het volk zei: Het zij zo!

12En al het volk plunderde het leger, dertig dagen lang.

13En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde dat daarop.

14En al de vrouwen van Israël liepen samen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden.

15En zij nam groene takken in haar handen, en gaf die ook aan de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het hele volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen van Israël volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden.