Judith 16
Lees Judith 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Judit zingt de HEERE een lofzang, 23 en al de huisraad van Holofernes heiligt zij de HEERE in zijn tempel. 24 Het volk is drie maanden lang vrolijk te Jeruzalem. 26 Judit leeft in grote eer te Bethulië, waar zij sterft op 105-jarige leeftijd, 28 en heel Israël beweent haar.
1EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder geheel Israël, en het hele volk zong deze lofzang haar na.
2En Judith zei: Begint de lof van mijn Heere met tambourijn; zing voor mijn Heere met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verhef, en roept Zijn naam aan.
3Want de Heere is een God, die de oorlogen vermorzelt: want Hij heeft in Zijn leger, in het midden van het volk, mij verlost, uit de hand van degenen, die mij vervolgden.
4Assur kwam uit de gebergten van het noorden;
5Hij kwam in met vele duizenden van zijn macht, waarvan de menigte de waterbeken verstopte, en hun ruiterij bedekte de heuvelen.
6Hij zei, dat hij mijn gebied zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven.
7De Heere, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de hand van een vrouw.
8Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen van de Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht.
9Want zij deed de kleren van haar weduwschap uit, tot verhoging van degenen die benauwd waren in Israël.
10Zij zalfde haar aangezicht met geurende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen.
11Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan.
12De Perzen beefden voor haar onverschrokkenheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid.
13Toen juichten mijn nederigen, en riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd.
14De zonen van de jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen van de overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het leger van de Heere, mijn God.
15Ik zal mijn God een lofzang zingen.
16Heere, U bent groot en heerlijk, wonderlijk in kracht, en onverwinnelijk.
17Dat al Uw schepsel U dient, want U hebt het gezegd, en zij zijn geworden. U hebt Uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die Uw stem zal weerstaan.
18Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van Uw aangezicht, als was, versmelten.
19Maar U zult genadig zijn aan degenen die U vrezen, want alle offergave ten goeden reuk, is een klein ding voor U, en al het vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de Heere vreest is altijd groot.
20Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Heere, de Almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag van het gericht.
21Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen.
22En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandoffers en hun gewillige offeren, en hun gaven.
23En Judith hing op in de tempel al de voorwerpen van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het kleed, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Heere.
24En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden lang, en Judith bleef bij hen.
25En na die dagen trok ieder weer naar zijn erfenis, en Judith kwam weer naar Bethulië, en bleef bij haar goederen.
26En zij was in haar tijd zeer geëerd in het hele land.
27En velen begeerden haar te hebben, maar geen man had gemeenschap met haar al de dagen van haar leven, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk verzameld was.
28En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis van haar man, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de grot van haar man Manasse, en het huis van Israël droeg zeven dagen lang rouw over haar.
29En zij deelde haar goederen, voordat zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar geslacht.
30En daar was niemand meer, die de Israëlieten enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was.