BijbelJudith

Judith 2

Lees Judith 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Nebukadnezar neemt zich voor wraak te nemen op de landen die hem bijstand geweigerd hadden. 4 Stelt Holofernes aan tot veldoverste. 6 En beveelt hem niemand van hen te sparen. 7 Zijn grote toerusting voor de oorlog. 13 De plaatsen die hij ingenomen en verwoest heeft.

1EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, van wraak te oefenen over het hele land, zoals hij gezegd had.

2En hij riep al zijn dienaren, en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun het geheim van zijn raad voor, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land.

3En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel van zijn mond niet nagevolgd waren.

4En het gebeurde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, Holofernes, de veldoverste van zijn leger, die de tweede na hem was, en hij zei tot hem:

5Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: zie, u zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en u zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en u zult uittrekken tegen het hele land naar het westen, omdat zij het woord van mijn mond ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het hele aangezicht van de aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden van de hele aarde. Maar u, uittrekkende zult tevoren al hun gebied innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en u zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing.

6Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, u zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht van mijn koninkrijk, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en u zult niet één van de woorden van uw heer overtreden, maar zult het geheel volbrengen, zoals ik u bevolen heb, en u zult niet vertragen het te doen.

7En Holofernes ging uit van voor het aangezicht van zijn heer, en riep al de machtigen, en de oorlogsoversten, en de bevelhebbers van het leger van de Assyriërs, en telde uitgekozen mannen tot de oorlog, zoals hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters te paard;

8En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte soldaten bestemd wordt; en hij nam kamelen en ezels tot hun bagage, een zeer grote menigte; en ook schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal.

9En een grote menigte koren voor ieder man.

10En hij nam goud en zilver uit het huis van de koning, zeer veel.

11En hij begaf zich met zijn hele leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het hele aangezicht van het land tegen het westen met hun wagens, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand van de aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte.

12En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagens, en trok van daar naar het gebergte.

13En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen van Ismaël, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden van het land Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,

14En vernielde alle hoge steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men komt aan de zee.

15En hij nam het gebied van Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan het gebied van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.

16En hij omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen,

17En hij daalde af in het veld van Damascus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte van het zwaard.

18En een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem bovenmate zeer.