BijbelJudith

Judith 4

Lees Judith 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De Joden zijn zeer bevreesd voor Holofernes, 4 versterken hun plaatsen, en nemen de hoge bergen in. 6 Aan die van Bethulië, dat de toegang tot Judea vormt, wordt bevolen die plaats te bewaken. 8 De kinderen van Israël geven zich over aan vasten, bidden en het de HEERE offeren.

1EN de Israëlieten, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de oorlogsoverste van de koning van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen.

2En zij werden bovenmate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel van de Heere, hun God, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het hele volk was kort tevoren verzameld geweest uit Judea; en de voorwerpen en het altaar en het huis van God waren van de ontheiliging geheiligd.

3En zij zonden in het hele gebied van Samarië, en in de plaatsen, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen van de hoge bergen in.

4En zij maakten muren om hun plaatsen, die daarop waren, en beschikten koren tot voorraad van de oorlog, omdat hun velden kort tevoren afgemaaid waren.

5En Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, die tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte van het veld dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden,

6Omdat daardoor de ingang was naar Judea, en het gemakkelijk was degenen te beletten die opklimmen zouden, daar de toegang nauw was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkaar.

7En de Israëlieten deden naar dat de hogepriester Joakim, en de raad van het hele volk van Israël, die binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden.

8En al de mannen van Israël riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten.

9En alle inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken aan hun lendenen.

10En alle mannen van Israël en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neer in het gezicht van de tempel,

11En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het aangezicht van de Heere.

12En zij bekleedden het altaar met een zak.

13En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God van Israël, dat Hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden van hun erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.

14En de Heere verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan.

15En het volk vastte vele dagen lang in geheel Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom van de Heere, de Almachtige.

16En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Heere stonden, en die de Heere dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer van het gedurige offer, en de beloften, en de vrijwillige gaven van het volk, en as was op hun haar.

17En zij riepen tot de Heere van ganser kracht, dat Hij het hele huis van Israël ten goede bezoeken wilde.