Judith 5
Lees Judith 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Holofernes vraagt wat voor volk de Joden waren, die zich tegen hem durfden te stellen. 5 Achior verhaalt hem wat voor een volk zij waren, 8 en wat God voor hen gedaan had, 23 en raadt hem aan geen oorlog tegen hen te voeren, tenzij zij zwaar tegen God gezondigd hadden. 25 Wat allen die het hoorden zeer mishaagde.
1EN het werd Holofernes, de oorlogsoverste van het heerleger van de Assyriërs, geboodschapt dat de Israëlieten zich bereiden tot de oorlog, en dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al de spitsen van de hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels gesteld hadden.
2En hij werd zeer boos, en hij riep al de oversten van de Moabieten, en de oorlogsoversten van de Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee.
3En hij zei tot hen: Zeg mij toch, u kinderen van Kanaän, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger.
4En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen.
5En Achior, de overste van al de kinderen van Ammon, zei tot hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond van uw knecht, en ik zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond van uw knecht gaan.
6Dit volk komt af van de Chaldeeën.
7En zij hebben eerst als vreemdelingen gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden van hun vaders, die in het land van Chaldea waren;
8En zijn afgetreden van de weg van hun vaders, en hebben de God van de hemel aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht van hun goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land waar zij vreemdeling waren, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.
9En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij teruggekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.
10En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door het maken van bakstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.
11En zij riepen tot hun God, en Hij sloeg geheel Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht.
12En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd.
13En heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden.
14En zij hebben zich neergezet in het land van de Ammorieten.
15En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte.
16En door de Jordaan getrokken zijnde,
17Hebben zij dit hele gebergte tot een erfenis ontvangen.
18En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond.
19En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat.
20Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die Hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden.
21En zijn als gevangene weggevoerd in een vreemd land, en de tempel van hun God is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden.
22En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem neergezet, waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest.
23En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen zulk een struikelblok is, zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen.
24Maar zo daar geen ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun Heere hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het hele land.
25En het gebeurde, als Achior ophield deze woorden te spreken, dat al het volk morde, dat de tent omringde en daar rondom stond.
26En de geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en van de Moabieten bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want, zeiden zij, wij vrezen niet voor de Israëlieten, want ziet het is een volk waarin geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger.
27Daarom zo zullen wij optrekken, heer Holofernes, en zij zullen een aas zijn voor uw hele leger.