BijbelJudith

Judith 6

Lees Judith 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Holofernes veracht God, 5 dreigt Achior, en laat hem wegbrengen naar Bethulië. 10 Die van Bethulië ontvangen hem. 13 En vernemen uit hem de dreigementen van Holofernes, 14 waarom zij zich begeven tot het gebed, 16 en Achior vertroosten.

1EN als het gemurmel van de mannen, die rondom de vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste van het heerleger van de Assyriërs tot Achior, voor het hele volk van de buitenlanders en tot alle kinderen van Moab:

2Wie bent u toch, Achior, u die van Efraïm gehuurd bent, dat u vandaag onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht van Israël niet zouden bevechten, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God behalve Nabuchodonosor?

3Deze zal zijn macht afzenden en hen vernietigen van het aangezicht van de aardbodem, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze paarden niet weerstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden.

4En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet één voetstap van hun voeten zal bestaan voor ons aangezicht, maar zij zullen geheel omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer van de hele aarde, want hij heeft het gezegd, en de woorden van zijn rede zullen niet ijdel zijn.

5En u Achior, u huurling van de Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag van uw ongerechtigheid, u zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht van degenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard van mijn heerleger, en het volk van mijn dienaren tussen uw zijden gaan, en u zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal teruggekeerd zijn.

6En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een van de steden van hun opgangen, en u zult niet sterven totdat u met hen vernietigd wordt. Als u nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik heb het gesproken, en geen van mijn woorden zal ontvallen.

7En Holofernes beval zijn knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen van de Israëlieten.

8En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden van het vlakke veld naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen van de stad hen op de spits van de berg zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits van de berg toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.

9Maar zij, bedekt onder aan de berg komende, bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet van de berg geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden weer tot hun heer.

10Maar de Israëlieten kwamen naar beneden tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië.

11En stelden hem voor de oversten van hun stad, die op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.

12En zij riepen al de oudsten van de stad bijeen, en al hun jongemannen, en de vrouwen liepen samen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was.

13En hij, antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden van de oversten van de kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken tegen het huis van Israël.

14En het volk, neervallende, bad God aan, en riep zeggende:

15Heere, U God van de hemel, zie op hun hoogmoed, en ontferm U over de vernedering van ons geslacht, en zie ten deze dage aan het aangezicht van degenen, die U geheiligd zijn.

16En zij troostten Achior en prezen hem zeer.

17En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten,

18En zij riepen de God van Israël aan om hulp, die hele nacht.