BijbelJudith

Judith 8

Lees Judith 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Judit, een rijke, schone en godzalige weduwe, bestraft Ozias over deze belofte. 21 Vermaant op God te vertrouwen. 25 Ozias verontschuldigt zijn belofte. 27 Judit belooft een bijzonder werk te zullen doen tot verlossing van de stad.

1EN in die dagen hoorde dat Judith, een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël.

2En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen van de gersteoogst.

3Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaders, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt.

4En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaar en vier maanden.

5En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met kleren van een weduwe.

6En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de dagen van de nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen van de vreugde van het huis van Israël.

7En zij was mooi van gestalte, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.

8En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer.

9En Judith hoorde de kwade woorden van het volk tegen de oversten, omdat zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid van het water; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad.

10En zij kwamen tot haar, en zij zei tot hen: Hoor mij nu, u oversten van de inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, die u op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die u gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat u de stad zult overgeven aan onze vijanden, als binnen deze dagen de Heere Zich niet wendt om ons te helpen.

11En nu, wie bent u, dat u God op de huidige dag hebt verzocht, en uzelf in Gods plaats hebt gezet, in het midden van de kinderen van de mensen.

12En u onderzoekt nu de Heere, de Almachtige, maar zult in de eeuwigheid niets verstaan.

13Want de diepte van het hart van de mens kunt u niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden van zijn bedenking, en hoe zult u de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en Zijn zin vernemen, en Zijn gedachten verstaan?

14Niet zo, broeders, verwekt de Heere, onze God, niet tot toorn. Want als Hij ons in deze vijf dagen niet wil helpen, heeft Hij de macht om ons te beschutten op welke dag Hij wil, of ook om ons te vernietigen voor het aangezicht van onze vijanden.

15Maar stelt u de raadslagen van de Heere, onze God, niet in pand, want God is niet als een mens, dat Hij zou bedreigd worden, noch als een mensenzoon, dat Hij zou geoordeeld worden.

16Daarom laat ons op Zijn verlossing wachten, en Hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, als het Hem behagelijk is.

17Omdat in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, die de goden dient, die met handen gemaakt zijn.

18Zoals wel in de vorige dagen is gebeurd, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val.

19Maar wij erkennen geen andere God dan Hem, waarom wij hopen dat Hij ons niet zal verachten, noch iemand van ons geslacht.

20Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Heere, onze God, zal de ontheiliging daarvan van onze mond eisen, en Hij zal de dood van onze broers, en de gevangenis van het land, en de verwoesting van onze erfenis op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Heere, onze God, zal ze tot oneer zetten.

21En nu, broeders, laat ons onze broeders een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis van God, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Heere, onze God, danken die ons verzoekt, zoals Hij ook onze vaders verzocht heeft.

22Gedenk wat Hij met Abraham al gedaan heeft.

23En hoe Hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, de broer van zijn moeder,

24Want zoals Hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking van hun harten, zo wreekt Hij Zich niet over ons, maar de Heere straft degenen, die Hem naderen, tot een waarschuwing.

25En Ozias zei tot haar: Alles wat u gezegd hebt, dat hebt u van goeder hart gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is vandaag niet eerst openbaar, maar van het begin van uw dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, zoals ook de bedenking van uw hart goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens wat wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden.

26En nu, bid voor ons, want u bent een godvrezende vrouw, en de Heere zal de regen zenden, opdat onze waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden.

27En Judith zei tot hen: Hoor mij en ik zal een werk doen, dat van geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen.

28U zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke u gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Heere Israël door mijn hand bezoeken.

29Maar u zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, voordat het zal volbracht zijn.

30En Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Heere God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden weer uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde oorlogsordeningen.