Klaagliederen 3
Lees Klaagliederen 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet gaat voort in het beklagen van de ellendige toestand van het Joodse volk, vers 1 enz. en van de spot van de vijanden, 14. Daarna troost hij zich met overdenking van Gods barmhartigheid, gerechtigheid en voorzienigheid, 21, enz. Hij wekt zichzelf en alle mensen op tot boete, geduld en het gebed tot de Heere, 40. met herhaling van hun ellende, 43, enz. en troost van Gods genadige verhoring, 55, enz. vertrouwend dat God wraak over hun vijanden zou doen, 64, enz.
1א Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede van Zijn toorn.
2א Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
3א Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand de hele dag veranderd.
4ב Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5ב Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
6ב Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
7ג Gimel. Hij heeft mij ingemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
8ג Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
9ג Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
10ד Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
11ד Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
12ד Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij de pijl als ten doel gesteld.
13ה He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.
14ה He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de hele dag.
15ה He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
16ו Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as neergedrukt.
17ו Vau. En U hebt mijn ziel verre van de vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
18ו Vau. Toen zei ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van JAHWEH.
19ז Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en galle.
20ז Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neer in mij.
21ז Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
22ח Cheth. Het zijn de goedertierenheden van JAHWEH, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
23ח Cheth. Zij zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot.
24ח Cheth. JAHWEH is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
25ט Teth. JAHWEH is goed voor hen, die Hem verwachten, voor de ziel, die Hem zoekt.
26ט Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil van JAHWEH.
27ט Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
28י Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
29י Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
30י Jod. Hij geve zijn wang aan degene, die hem slaat, hij worde verzadigd van smaad.
31כ Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
32כ Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid van Zijn goedertierenheden.
33כ Caph. Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte.
34ל Lamed. Dat men al de gevangenen van de aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;
35ל Lamed. Dat men het recht van een man buigt voor het aangezicht van de Allerhoogste;
36ל Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn rechtszaak; zou het de Heere niet zien?
37מ Mem. Wie zegt wat, dat gebeurt, zo het de Heere niet beveelt?
38מ Mem. Ga niet uit de mond van de Allerhoogste het kwade en het goede?
39מ Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
40נ Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons terugkeren tot JAHWEH.
41נ Nun. Laat ons onze harten opheffen, en ook de handen, tot God in de hemel, zeggende:
42נ Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn opstandig geweest, daarom hebt U niet gespaard.
43ס Samech. U hebt ons met toorn bedekt, en U hebt ons vervolgd; U hebt ons gedood. U hebt niet gespaard.
44ס Samech. U hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
45ס Samech. U hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden van de volken.
46פ Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
47פ Pe. De vrees en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.
48פ Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neer, vanwege de breuk van de dochter van mijn volk.
49ע Ain. Mijn oog stroomt, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
50ע Ain. Totdat JAHWEH van de hemel aanschouwe, en het zie.
51ע Ain. Mijn oog doet mijn ziel moeite aan, vanwege al de dochters van mijn stad.
52צ Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.
53צ Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.
54צ Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zei: Ik ben afgesneden!
55ק Koph. JAHWEH! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit de onderste kuil.
56ק Koph. U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
57ק Koph. U hebt U genaderd op de dag als ik U aanriep; U hebt gezegd: Vrees niet!
58ר Resch. JAHWEH! U hebt de twistzaken van mijn ziel getwist, U hebt mijn leven verlost.
59ר Resch. JAHWEH! U hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.
60ר Resch. U hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
61ש Schin. JAHWEH! U hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
62ש Schin. De lippen van degenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij de hele dag.
63ש Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
64ת Thau. JAHWEH! geef hun weer die vergelding, naar het werk van hun handen.
65ת Thau. Geef hun een deksel van het hart; Uw vloek zij over hen!
66ת Thau. Vervolg ze met toorn, en vernietig ze van onder de hemel van JAHWEH.