BijbelLeviticus

Leviticus 1

Lees Leviticus 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over de manier om het vrijwillige brandoffer in de tabernakel te slachten, vers 1, enz. Dat moest zijn ofwel van groot vee, zoals van runderen, 2. ofwel van klein vee, zoals van schapen en geiten, 10. ofwel van vogels, zoals van tortelduiven en jonge duiven, 14.

1En JAHWEH riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent van de samenkomst, zeggende:

2Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als een mens uit u aan JAHWEH een offergave zal offeren, u zult uw offergaven offeren van het vee, van runderen en van schapen.

3Als zijn offergave een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van JAHWEH.

4En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.

5Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van JAHWEH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprenkelen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is.

6Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.

7En de zonen van Aäron, de priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.

8Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.

9Maar zijn binnenste, en zijn poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH.

10En als zijn offergave is van klein vee, van schapen of van geiten, als brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.

11En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar naar het noorden, voor het aangezicht van JAHWEH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen.

12Daarna zal hij het in zijn stukken delen, en ook zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is.

13Maar het binnenste en de poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH.

14En als zijn offergave voor JAHWEH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offergave van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.

15En de priester zal die tot het altaar brengen, en zijn hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden.

16En zijn krop met zijn veren zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, naar het oosten, aan de plaats van de as.

17Verder zal hij die met zijn vleugels klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH.