Leviticus 13
Lees Leviticus 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten over de melaatsheid van de mens en de verschillende soorten daarvan, met de bepaling door wie en aan welke tekenen zij onderscheiden en beoordeeld moesten worden, vers 1, enz. Over de melaatsheid van het gezwel, 9. van de zweer, 18. van de brandwond, 24. van de schurft, 29. van de uitslag, 38. van de kaalheid en de voorhoofdskaalheid, 40. Over de plicht van de melaatse, 45. en over de melaatsheid in kleren, linnen, wol en vellen, 47.
1Verder sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
2Een mens, als in het huid van zijn lichaam een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, die in het huid van zijn lichaam tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot één uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden.
3En de priester zal de plaag in het huid van het vlees bekijken; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien van de plaag dieper is dan het huid van zijn lichaam, het is de plaag van de melaatsheid; als de priester hem bekeken zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.
4Maar zo de blaar in het huid van zijn vlees wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het huid, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.
5Daarna zal de priester op de zevende dag hem bekijken; als, zie, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het huid niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.
6En de priester zal hem opnieuw op de zevende dag bekijken; als, zie, de plaag ingetrokken, en de plaag in het huid niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn kleren wassen, zo is hij rein.
7Maar zo de verzwering in het huid geheel uitgespreid is, nadat hij aan de priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij opnieuw aan de priester vertoond worden.
8Als de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het huid uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.
9Wanneer de plaag van de melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot de priester gebracht worden.
10Als de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het huid is, dat het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;
11Dat is een verouderde melaatsheid in het huid van zijn lichaam; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.
12En zo de melaatsheid in het huid geheel uitbreekt, en de melaatsheid het hele huid van degene, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen van de priester;
13En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn hele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.
14Maar op de dag dat levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.
15Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid.
16Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot de priester komen.
17Als de priester hem bekeken zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.
18Het vlees ook, als in zijn huid een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is;
19En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo zal het aan de priester vertoond worden.
20Als de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het huid, en het haar daarvan in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot.
21Wanneer nu de priester die bekeken zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.
22Zo zij daarna geheel in het huid uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.
23Maar als de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren;
24Of wanneer in het huid van het vlees een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van die brand een witte roodachtige of witte blaar is;
25En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het huid; het is melaatsheid, door de brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid.
26Maar als de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.
27Daarna zal de priester hem op de zevende dag bekijken; als zij geheel uitgespreid is in het huid, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid.
28Maar als de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het huid uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van de brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van de brand.
29Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in de baard;
30En de priester de plaag zal bekeken hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het huid, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurft, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard.
31Maar als de priester de plaag van de schurft zal bekeken hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het huid, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag van de schurft heeft, zeven dagen doen opsluiten.
32Daarna zal de priester die plaag op de zevende dag bekijken; als, zie, de schurft niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien van de schurft dieper dan het huid is;
33Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurft zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurft heeft, opnieuw zeven dagen doen opsluiten.
34Daarna zal de priester die schurft op de zevende dag bekijken; als, zie, de schurft in het huid niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het huid, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn kleren wassen, en rein zijn.
35Maar als de schurft in het huid geheel uitgespreid is, na zijn reiniging;
36En de priester hem zal bekeken hebben, dat, ziet, de schurft in het huid uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein.
37Maar als die schurft, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gegroeid is, die schurft is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.
38Verder als een man, of vrouw, aan het huid van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren;
39En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het huid van hun vlees zijn; het is een witte puist in het huid uitgebot, hij is rein.
40En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.
41En zo van de zijde van zijn aangezicht het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.
42Maar zo in de kaalheid, of in het kale voorhoofd, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbrekende in zijn kaalheid, of in zijn kale voorhoofd.
43Als de priester hem zal bekeken hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of kale voorhoofd, wit roodachtig is, zoals het aanzien van de melaatsheid van het huid van het vlees;
44Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem geheel onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd.
45Verder zullen de kleren van de melaatse, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!
46Al de dagen, waarin deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.
47Verder als aan een kleed de plaag van de melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed,
48Of aan de scheerdraad, of aan de inslag van linnen, of van wol, of aan huid, of aan enig vellenwerk;
49En die plaag aan het kleed, of aan het huid, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag van de melaatsheid; daarom zal zij de priester vertoond worden.
50En de priester zal de plaag bekijken; en hij zal wat de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten.
51Daarna zal hij op de zevende dag de plaag bekijken; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan het huid, tot wat werk dat huid zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een kwaadaardige melaatsheid, het is onrein.
52Daarom zal hij dat kleed, of dat weefsel, of die inslag van wol, of van linnen, of alle leren voorwerpen, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een kwaadaardige melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.
53Maar als de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp niet uitgespreid is;
54Zo zal de priester gebieden, dat men wat, waaraan die plaag is, wast, en hij zal dat opnieuw zeven dagen doen opsluiten.
55Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bekeken hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, u zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde.
56Als nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het huid, of van de scheerdraad, of van de inslag afscheuren.
57Maar zo zij nog aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp, gezien wordt, het is uitbrekende melaatsheid; u zult wat, waaraan de plaag is, met vuur verbranden.
58Maar het kledingstuk, of het weefsel, of de inslag, of elk leren voorwerp, dat u gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal opnieuw gewassen worden, en het zal rein zijn.
59Dit is de wet van de plaag van de melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een weefsel, of een inslag, of enig leren voorwerp, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren.