Leviticus 15
Lees Leviticus 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten over de mannen met een zaadvloed, hetzij door zwakheid en ziekte, vers 1, enz. of in de slaap, 16, 17, 18. en over de vrouwen die de maandstonden hebben, hetzij gewoon, 19. of buitengewoon, 25. met hun reiniging, 29. en een vermaning tot reinheid, 31. waarop het besluit van het hoofdstuk volgt, 32.
1Verder sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
2Spreek tot de Israëlieten, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn.
3Dit nu zal zijn onreinheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinheid.
4Alle bed, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.
5Een ieder ook, die zijn bed zal aanroeren, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond.
6En die op dat tuig zit, waarop hij, die de vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond.
7En die het vlees van degene, die de vloed heeft, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
8Als ook hij, die de vloed heeft, op een reine zal gespogen hebben, dan zal hij zijn kleren wassen, en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
9Ook alle zadel, waarop hij, die de vloed heeft, zal gereden hebben, zal onrein zijn.
10En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan de avond; en die het draagt, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
11Daartoe een ieder, wie hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
12Ook de aarden pot, die hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden; maar alle houten voorwerp zal met water gespoeld worden.
13Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn.
14En op de achtste dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst komen, en zal ze de priester geven.
15En de priester zal die bereiden, één als zondoffer, en één als brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht van JAHWEH, vanwege zijn vloed, verzoening doen.
16Verder een man, als van hem het zaad van het bijliggen zal uitgegaan zijn, die zal zijn hele vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
17Ook alle kleed, en alle huid, aan dat het zaad van het bijliggen wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan de avond.
18En ook de vrouw, als een man met het zaad van het bijliggen bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
19Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond.
20En al wat, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn.
21En al wie haar bed aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
22Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
23Zelfs als het op het bed geweest zal zijn, of op het tuig, waarop zij zat, als hij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan de avond.
24Ook zo iemand zeker bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle bed, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.
25Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten de tijd van haar afzondering, van de vloed van haar bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven haar afzondering, zij zal al de dagen van de vloed van haar onreinheid, als in de dagen van haar afzondering onrein zijn.
26Alle bed, waarop zij al de dagen van haar vloed gelegen zal hebben, zal haar zijn als het bed van haar afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinheid van haar afzondering.
27En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond.
28Maar als zij van haar vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn.
29En op de achtste dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot de priester brengen, aan de deur van de tent van de samenkomst.
30Dan zal de priester één als zondoffer en één als brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, van de vloed van haar onreinheid, verzoening doen voor het aangezicht van JAHWEH.
31Zo zult u de Israëlieten afzonderen van hun onreinheid; opdat zij in hun onreinheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden.
32Dit is de wet van degene, die de vloed heeft, en van wie het zaad van de bijligging uitgaat; zodat hij daardoor onrein wordt;
33En ook van een zwakke vrouw in haar afzondering, en van degene, die van zijn vloed is vloeiende, voor een man, en voor een vrouw; en voor een man, die bij een onreine zal gelegen hebben.