BijbelLeviticus

Leviticus 16

Lees Leviticus 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God beveelt de hogepriester het heiligdom binnen te gaan om een algemene verzoening te doen, vers 1, enz. met een bericht wanneer en waarmee hij dat zal doen, 3. en in welke volgorde bij het offeren en het bedienen van andere plechtigheden, die hier uitvoerig beschreven worden, 6. Waarbij dan een voorschrift komt over de plicht van het hele volk, 29. met het besluit van dit hoofdstuk, 34.

1En JAHWEH sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aäron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht van JAHWEH, en gestorven waren;

2JAHWEH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet altijd ga in het heilige, binnen het voorhangsel, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.

3Hiermee zal Aäron in het heilige gaan: met een stier, een jong rund als zondoffer, en een ram als brandoffer.

4Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen tulband bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.

5En aan de gemeenschap van de Israëlieten zal hij nemen twee geitenbokken als zondoffer, en één ram als brandoffer.

6Daarna zal Aäron de stier van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen.

7Hij zal ook beide bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst.

8En Aäron zal de loten over die twee bokken werpen: één lot voor JAHWEH, en één lot voor de weggaande bok.

9Dan zal Aäron de bok, waarop het lot voor JAHWEH zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken.

10Maar de bok, waarop het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht van JAHWEH gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlate.

11Aäron dan zal de stier van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, toebrengen, en voor zichzelf en voor zijn huis verzoening doen, en zal de stier van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, slachten.

12Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht van JAHWEH, en zijn handen vol reukwerk van geurende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen het voorhangsel dragen.

13En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht van JAHWEH, opdat de nevel van het reukwerk het verzoendeksel, dat is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve.

14En hij zal van het bloed van de stier nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel naar het oosten sprenkelen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.

15Daarna zal hij de bok van het zondoffer, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in het voorhangsel dragen, en zal met zijn bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft, en zal dat sprenkelen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel.

16Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinheden van de Israëlieten, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, die met hen woont in het midden van hun onreinheden.

17En geen mens zal in de tent van de samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, voordat hij zal uitkomen; zo zal hij verzoening doen, voor zichzelf, en voor zijn huis, en voor de hele gemeente van Israël.

18Daarna zal hij tot het altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH is, uitkomen, en verzoening daarvoor doen; en hij zal van het bloed van de stier, en van het bloed van de bok nemen, en doen het rondom op de hoornen van het altaar.

19En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprenkelen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinheden van de Israëlieten.

20Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige, en de tent van de samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij die levende bok toebrengen.

21En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van de levende bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden van de Israëlieten, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.

22Zo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal die bok in de woestijn uitlaten.

23Daarna zal Aäron komen in de tent van de samenkomst, en zal de linnen kleren uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten.

24En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijn kleren aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer van het volk bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen.

25Ook zal hij het vet van het zondoffer op het altaar aansteken.

26En die de bok, die een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.

27Maar de stier van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun huiden, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.

28Die nu die verbrandt, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.

29En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, ingezetene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.

30Want op die dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u voor het aangezicht van JAHWEH gereinigd worden.

31Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.

32En de priester, die men gezalfd, en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de heilige kleren, zal aangetrokken hebben.

33Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent van de samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; evenzo voor de priesters, en voor al het volk van de gemeente zal hij verzoening doen.

34En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de Israëlieten van al hun zonden, eenmaal in het jaar, verzoening te doen. En men deed, zoals JAHWEH Mozes geboden had.