Leviticus 17
Lees Leviticus 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten die verbieden ergens offergaven te offeren, dan alleen in de tabernakel, vers 1, enz. en aan niemand anders dan alleen de HEERE, 5. geenszins aan de duivels, op straffe van uitroeiing, 7. Eveneens met het verbod om bloed te eten, op gelijke straffe, 10. Alsmede enig dood aas, of dat verscheurd is, 15.
1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten, en zeg tot hen: Dit is het woord, dat JAHWEH geboden heeft, zeggende:
3Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger;
4En die aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offergave aan JAHWEH voor de tabernakel van JAHWEH te offeren; het bloed zal die man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal die man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden;
5Opdat, wanneer de Israëlieten hun slachtoffers brengen, die zij op het veld slachten, dat zij die aan JAHWEH toebrengen, aan de deur van de tent van de samenkomst tot de priester, en die tot dankoffers voor JAHWEH slachten.
6En de priester zal het bloed op het altaar van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst, sprenkelen; en hij zal het vet aansteken, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH.
7En zij zullen ook niet meer hun slachtoffers aan de demonen, die zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun generaties.
8Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis van Israël, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,
9En dat tot de deur van de tent van de samenkomst niet zal brengen, om het voor JAHWEH te bereiden; die man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.
10En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden van haar volk uitroeien.
11Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.
12Daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.
13Een ieder ook van de Israëlieten en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal daarvan bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken.
14Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: U zult van geen enkel vlees het bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.
15En alle ziel onder de ingezetenen of onder de vreemdelingen, die een kadaver of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal hij rein zijn.
16Maar als hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.