Leviticus 18
Lees Leviticus 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten die de Israëlieten bevelen niet te leven naar de gewoonten of zeden van de Egyptenaren en Kanaänieten, vers 1, enz. maar naar de inzetting van God, 4. De bloedschande in bijslaap en huwelijken te vermijden, 6. De bijslaap met een vrouw tijdens haar maandstonden, 19. en overspel, 20. hun kinderen niet aan de Molech te offeren, 21. Alle onnatuurlijke bijslaap te verfoeien, 22. Met de redenen die dienen tot bevestiging van deze wetten, 24.
1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Ik ben JAHWEH, uw God!
3U zult niet doen naar de werken van het Egyptische land, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun voorschriften niet wandelen.
4Mijn rechten zult u doen, en Mijn voorschriften zult u houden, om in die te wandelen; Ik ben JAHWEH, uw God!
5Ja, Mijn voorschriften en Mijn rechten zult u houden; welk mens deze zal doen, die zal daardoor leven; Ik ben JAHWEH!
6Niemand zal tot enige nabestaande van zijn lichaam naderen, om de schaamte te ontbloten; Ik ben JAHWEH!
7U zult de schaamte van uw vader en de schaamte van uw moeder niet ontbloten; zij is uw moeder; u zult haar schaamte niet ontbloten.
8U zult de schaamte van de huisvrouw van uw vader niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader.
9De schaamte van uw zus, van de dochter van uw vader, of van de dochter van uw moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult u niet ontbloten.
10De schaamte van de dochter van uw zoon, of van de dochter van uw dochter, haar schaamte zult u niet ontbloten; want zij zijn uw schaamte.
11De schaamte van de dochter van de huisvrouw van uw vader, die uw vader geboren is (zij is uw zus), haar schaamte zult u niet ontbloten.
12U zult de schaamte van de zus van uw vader niet ontbloten; zij is de nabestaande van uw vader.
13U zult de schaamte van de zus van uw moeder niet ontbloten; want zij is de nabestaande van uw moeder.
14U zult de schaamte van de broer van uw vader niet ontbloten; tot zijn huisvrouw zult u niet naderen; zij is uw tante.
15U zult de schaamte van uw schoondochter niet ontbloten; zij is de huisvrouw van uw zoon; u zult haar schaamte niet ontbloten.
16U zult de schaamte van de huisvrouw van uw broer niet ontbloten; het is de schaamte van uw broer.
17U zult de schaamte van een vrouw en haar dochter niet ontbloten; de dochter van haar zoon, noch de dochter van haar dochter zult u nemen, om haar schaamte te ontbloten; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad.
18U zult ook geen vrouw tot haar zus nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte naast haar, in haar leven, te ontbloten.
19Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinheid niet naderen, om haar schaamte te ontbloten.
20En u zult niet liggen bij de huisvrouw van uw naaste ter bezading, om met haar onrein te worden.
21En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben JAHWEH!
22Bij een man zult u niet liggen zoals men bij een vrouw ligt; dit is een gruwel.
23Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging.
24Verontreinig u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd;
25Zodat het land onrein is, en Ik over het land zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt.
26Maar u zult Mijn voorschriften en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelijke dingen niets doen, ingezetene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
27Want de mensen van dit land, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelijke dingen gedaan; en het land is onrein geworden.
28Dat u dat land niet uitspuwe, als u het zult verontreinigd hebben; zoals het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft.
29Want al wie enige van deze gruwelijke dingen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.
30Daarom zult u Mijn bevel onderhouden, dat u niet doet van die gruwelijke voorschriften, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmee niet verontreinigt; Ik ben JAHWEH, uw God!