BijbelLeviticus

Leviticus 19

Lees Leviticus 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten die de Israëlieten bevelen dat zij heilig zullen zijn, vers 1, enz. Vader en moeder eren, de sabbatten onderhouden, 3. Afgoderij vermijden, 4. De dankoffers behoorlijk slachten en gebruiken, 5. De armen gedenken bij de oogst, 9. Hun naaste geen onrecht doen, noch buiten het gericht, noch in het gericht, 11. Ook in hun hart hem niet vijandig zijn, maar goed doen met woorden en werken, uit echte liefde, 17. Dingen die verschillend zijn, niet vermengen, 19. Geen hoererij toelaten, 20. Wanneer zij de vruchten van het land Kanaän zouden eten, 23. Geen bloed eten, noch waarzeggerij enz. gebruiken, 26. Geen heidense tekenen van rouw maken, 27. Noch hun dochters tot onkuisheid aanzetten, 29. Maar God en zijn inzettingen in ere houden, 30. Niet de waarzeggers raadplegen, 31. De ouderen eren, 32. De vreemdelingen recht doen, 33. Ja, iedereen in alle handel, 35.

1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

2Spreek tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, JAHWEH, uw God, ben heilig!

3Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben JAHWEH, uw God!

4U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben JAHWEH, uw God!

5En wanneer u een dankoffer voor JAHWEH offeren zult, naar uw welgevallen zult u dat offeren.

6Op de dag van uw offeren, en op de andere dag, zal het gegeten worden; maar wat tot op de derde dag overblijft zal met vuur verbrand worden.

7En zo het op de derde dag enigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn.

8En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige van JAHWEH ontheiligd heeft; daarom zal die ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.

9Als u ook de oogst van uw land inoogsten zult, u zult de hoek van uw veld niet geheel afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen.

10Ook zult u uw wijngaard niet nalopen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; de arme en de vreemdeling zult u die overlaten; Ik ben JAHWEH, uw God!

11U zult niet stelen, en u zult niet liegen, noch vals handelen, ieder tegen zijn naaste.

12U zult niet vals bij Mijn Naam zweren; want u zou de Naam van uw God ontheiligen; Ik ben JAHWEH.

13U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen.

14U zult de dove niet vloeken, en voor het aangezicht van de blinden geen aanstoot zetten; maar u zult voor uw God vrezen; Ik ben JAHWEH!

15U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten.

16U zult niet wandelen als een roddelaar onder uw volken; u zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben JAHWEH!

17U zult uw broer in uw hart niet haten; u zult uw naaste ijverig berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.

18U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben JAHWEH!

19U zult Mijn voorschriften houden; u zult geen tweeërlei aard van uw beesten laten samen te doen hebben; uw akker zult u niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.

20En wanneer een man, door bijligging van het zaad, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij de man versmaad, en in geen geval gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt.

21En hij zal zijn schuldoffer voor JAHWEH aan de deur van de tent van de samenkomst brengen, een ram als schuldoffer.

22En de priester zal met de ram van het schuldoffer, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht van JAHWEH verzoening doen; en hem zal vergeving gebeuren van zijn zonde, die hij gezondigd heeft.

23Als u ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte als voedsel geplant zult hebben, zo zult u de voorhuid daarvan, zijn vrucht, besnijden; drie jaar zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden.

24Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor JAHWEH.

25En in het vijfde jaar zult u daarvan vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben JAHWEH, uw God!

26U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch bezwering plegen.

27U zult de hoeken van uw hoofd niet rond afscheren; ook zult u de hoeken van uw baard niet verderven.

28U zult om een dood lichaam geen kerving in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben JAHWEH!

29U zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld wordt.

30U zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben JAHWEH!

31U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de dodenbezweerders; zoek hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben JAHWEH, uw God!

32Voor het grijze haar zult u opstaan, en zult het aangezicht van de oude vereren; en u zult vrezen voor uw God; Ik ben JAHWEH!

33En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, u zult hem niet verdrukken.

34De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een ingezetene van u; u zult hem liefhebben als uzelf; want u bent vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben JAHWEH, uw God!

35U zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.

36U zult een rechte weegschaal hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben JAHWEH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb!

37Daarom zult u al Mijn voorschriften en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben JAHWEH!