Leviticus 20
Lees Leviticus 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Verhaal van straffen tegen enige grove zonden; zoals tegen het offeren van zijn kinderen aan de Molech, vers 1, enz. Tegen het naïlopen van de waarzeggers en duivelskunstenaars, 6. Tegen het vervloeken van vader of moeder, 9. Tegen overspel, 10. Tegen enige bloedschande, onnatuurlijke gruwelen, en onwettige bijslaap en huwelijken, 11. Met een vermaning tot het onderhouden van de geboden van God, 22. En onder andere om de gewoonte van de heidenen te ontvluchten, 23. Reine en onreine dieren te onderscheiden, 24. De waarzeggers en duivelskunstenaars te stenigen, 27.
1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
2U zult ook tot de Israëlieten zeggen: Een ieder uit de Israëlieten, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad aan de Molech gegeven zal hebben, zal zeker gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen.
3En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien; want hij heeft van zijn zaad aan de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou.
4En als het volk van het land hun ogen enigszins verbergen zal van die man, als hij van zijn zaad aan de Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode;
5Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden van hun volk uitroeien.
6Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de dodenbezweerders zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden van haar volk uitroeien.
7Daarom heiligt u, en wees heilig; want Ik ben JAHWEH, uw God!
8En onderhoudt Mijn voorschriften, en doet die; Ik ben JAHWEH, die u heilige.
9Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zeker gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
10Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met de vrouw van zijn naaste overspel gedaan heeft, zal zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
11En een man, die bij de huisvrouw van zijn vader zal gelegen hebben, heeft de schaamte van zijn vader ontbloot; zij beiden zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen!
12Ook, als de man bij de vrouw van zijn zoon zal gelegen hebben, zij zullen beiden zeker gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!
13Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, zoals men bij een vrouw ligt, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen!
14En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en die met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.
15Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zeker gedood worden; ook zult u het beest doden.
16Zo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmee te doen te hebben, zo zult u die vrouw en dat beest doden; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen!
17En als een man zijn zus, de dochter van zijn vader, of de dochter van zijn moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen van hun volk uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte van zijn zus ontbloot, hij zal zijn ongerechtigheid dragen.
18En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft, zal gelegen en haar schaamte ontbloot, haar fontein ontbloot, en zij zelf de fontein van haar bloed ontbloot zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.
19Daartoe zult u de schaamte van de zus van uw moeder, en van de zus van uw vader niet ontbloten; omdat hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen.
20Als ook een man bij zijn tante zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte van zijn oom ontbloot; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.
21En wanneer een man de huisvrouw van zijn broer zal genomen hebben, het is onreinheid; hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen zonder kinderen zijn.
22Onderhoud dan al Mijn voorschriften en al Mijn rechten, en doet die; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.
23En wandelt niet in de voorschriften van het volk, dat Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden.
24En Ik heb u gezegd: U zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat u het erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honing; Ik ben JAHWEH, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!
25Daarom zult u onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en u zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op de aardbodem kruipt, dat Ik voor u afgezonderd heb, opdat u het onrein houdt.
26En u zult Mij heilig zijn, want Ik, JAHWEH, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u van Mij zou zijn.
27Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een dodenbezweerder zal zijn, zij zullen zeker gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.