BijbelLeviticus

Leviticus 22

Lees Leviticus 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over de reinheid van de priesters bij het eten van de geheiligde dingen. Als zij onrein waren, mochten zij daarvan niet eten, vers 1, enz. maar wel als zij gereinigd waren, 6. Geen dood aas, en dat verscheurd was, mochten zij eten, 8. Wie van het heilige met hen mocht eten, en wie niet, 10. Wet over hen die door dwaling van het heilige gegeten hadden, 14. Wetten over vrijwillige offers, hoedanig zij moesten zijn, 17. van wiens hand ontvangen, 25. hoe oud, 26. Om niet te offeren samen met de moeder, 28. en op de dag van het offeren gegeten te worden, 29. wat alles besloten wordt met een vermaning tot gehoorzaamheid, 31.

1Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

2Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen van de Israëlieten, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam van Mijn heiligheid niet ontheiligen; Ik ben JAHWEH!

3Zeg tot hen: Alle man onder uw geslachten, die uit uw hele zaad tot de heilige dingen, die de Israëlieten aan JAHWEH heiligen, naderen zal, als zijn onreinheid op hem is; die mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben JAHWEH!

4Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat.

5Of zo wie aangeroerd zal hebben enig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of een mens, waarvan hij onrein is, naar al zijn onreinheid;

6De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden.

7Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn voedsel.

8Het kadaver, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmee onrein te worden; Ik ben JAHWEH!

9Zij zullen dan Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben JAHWEH, die hen heilige!

10Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten.

11Wanneer dan nog de priester een ziel met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis, die zullen van zijn voedsel eten.

12Maar als de dochter van de priester aan een vreemde man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer van de heilige dingen niet eten.

13Maar als de dochter van de priester een weduwe of een verstotene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot het huis van haar vader, als in haar jeugd, zal teruggekeerd zijn, zo zal zij van het voedsel van haar vader eten; maar geen vreemde zal daarvan eten.

14En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zo zal hij zijn vijfde deel daarboven toedoen, en zal het de priester met het heilige wedergeven.

15Zo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen van de Israëlieten, die zij aan JAHWEH zullen gegeven hebben;

16En hen doen dragen de ongerechtigheid van de schuld, als zij hun heilige dingen zouden eten; want Ik ben JAHWEH, Die hen heilige!

17Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

18Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijn offergave zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offers, die zij aan JAHWEH als brandoffer zullen offeren;

19Het zal naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten.

20U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u.

21En als iemand een dankoffer voor JAHWEH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn.

22Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurft, of etterige schurft hebbende, deze zult u aan JAHWEH niet offeren, en daarvan zult u aan JAHWEH geen vuuroffer op het altaar geven.

23Maar een os, of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult u tot een vrijwillig offer bereiden; maar tot een gelofte zou het niet aangenaam zijn.

24Het gedrukte, of gestotene, of gescheurde, of gesnedene, zult u aan JAHWEH niet offeren; dat zult u in uw land niet doen.

25U zult ook uit de hand van de vreemden van al deze dingen aan uw God geen voedsel offeren; want hun verdorvenheid is in hen, daarin is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u.

26Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

27Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van de achtste dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offergave van het vuuroffer voor JAHWEH.

28U zult ook een os, of klein vee, hem en zijn jong, op één dag niet slachten.

29En als u een lofoffer voor JAHWEH zult slachten, naar uw wil zult u het slachten.

30Het zal op deze dag gegeten worden; u zult daarvan niet overlaten tot op de morgen; Ik ben JAHWEH!

31Daarom zult u Mijn geboden houden, en die doen; Ik ben JAHWEH!

32En u zult Mijn heilige Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden van de Israëlieten geheiligd word; Ik ben JAHWEH, die u heilige!

33Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben JAHWEH!