BijbelLeviticus

Leviticus 24

Lees Leviticus 24 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over de olie van de lampen van de tabernakel en de toebereiding daarvan, vers 1, enz. Over de toonbroden, 5. en naar aanleiding van iemand die de Naam van de HEERE gelasterd had, 10. Over de straf van de godslasteraars in het algemeen, 13. en van hen die een mens doden, of een dier, of hun naaste verwonden, 17. De uitvoering van de straf van de eerdergenoemde lasteraar, 23.

1En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

2Gebied de Israëlieten, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor het licht, om de lampen steeds aan te steken.

3Aäron zal die voor het aangezicht van JAHWEH steeds toerichten, van de avond tot de morgen, buiten het voorhangsel van het getuigenis, in de tent van de samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties.

4Hij zal op de loutere kandelaar die lampen voor het aangezicht van JAHWEH steeds toerichten.

5U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal één koek zijn.

6En u zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht van JAHWEH.

7En op elke rij zult u zuivere wierook leggen, die voor het brood als gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer voor JAHWEH.

8Op elke sabbatdag steeds zal men dat voor het aangezicht van JAHWEH toerichten, vanwege de Israëlieten, tot een eeuwig verbond.

9En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuuroffers van JAHWEH, een eeuwige inzetting.

10En er ging de zoon van een Israëlietische vrouw uit, die, in het midden van de Israëlieten, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een Israëlietisch man twistten in het leger.

11Toen lasterde de zoon van de Israëlietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan.

12En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar de mond van JAHWEH, verklaring gebeuren zou.

13En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

14Breng de vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de hele gemeenschap stenigen.

15En tot de Israëlieten zult u spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.

16En wie de Naam van JAHWEH gelasterd zal hebben, zal zeker gedood worden; de hele gemeenschap zal hem zeker stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, zoals de ingezetene, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.

17En als iemand enige ziel van de mensen zal verslagen hebben, hij zal zeker gedood worden.

18Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel.

19Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; zoals hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:

20Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; zoals hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.

21Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.

22Enerlei recht zult u hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de ingezetene; want Ik ben JAHWEH, uw God!

23En Mozes zei tot de Israëlieten, dat zij de vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de Israëlieten deden, zoals JAHWEH Mozes geboden had.