BijbelLeviticus

Leviticus 25

Lees Leviticus 25 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over de rust van het zevende jaar voor het land, vers 1, enz. Over het jubeljaar, dat elke vijftig jaar onderhouden moet worden, 8. Over de manier bij het kopen en verkopen van de erfgoederen, naar het aantal jaren tot het jubeljaar, 14. Over het recht bij het lossen van de verkochte erven, 23. Over de woeker, en de mildheid tegenover de arme Israëlieten, 35. Over het recht van de Hebreeuwse slaven, hoe men hen kopen, behandelen en lossen moest, 39.

1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, aan de berg Sinaï, zeggende:

2Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat voor JAHWEH.

3Zes jaren zult u uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.

4Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor JAHWEH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.

5Wat van zelf van uw oogst zal gegroeid zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven van uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn.

6En de inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot voedsel zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;

7En ook voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot voedsel zijn.

8U zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.

9Daarna zult u in de zevende maand, op de tiende van de maand, de bazuin van het geklank doen doorgaan; op de verzoendag zult u de bazuin doen doorgaan in uw hele land.

10En u zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht.

11Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; u zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gegroeid zijn, noch ook de druiven van de afzonderingen daarin afsnijden.

12Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; u zult uit het veld de inkomst daarvan eten.

13Op dat jubeljaar zult u ieder terugkeren tot zijn bezitting.

14Daarom, wanneer u aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand van uw naaste kopen zult, dat niemand de één de ander verdrukke.

15Naar het getal van de jaren, van het jubeljaar af, zult u van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren van de inkomsten zal hij het aan u verkopen.

16Naar de veelheid van de jaren zult u zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid van de jaren zult u zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal van de inkomsten.

17Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben JAHWEH, uw God!

18En doet Mijn voorschriften, en houdt Mijn rechten, en doet die; zo zult u zeker wonen in het land.

19En het land zal zijn vrucht geven, en u zult eten tot verzadiging toe; en u zult zeker daarin wonen.

20En als u zou zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Zie, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;

21Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaar zal voortbrengen.

22Het achtste jaar nu zult u zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult u het oude eten.

23Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent.

24Daarom zult u, in het hele land van uw bezitting, lossing voor het land toelaten.

25Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte van zijn broer lossen.

26En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn losprijs;

27Dan zal hij de jaren van zijn verkoping rekenen, en het overschot zal hij de man, aan wie hij het verkocht had, weer uitkeren; en hij zal weer tot zijn bezitting komen.

28Maar als zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weer uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van zijn koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting terugkeren.

29Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.

30Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het hele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft, voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.

31Maar de huizen van de dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld van het land gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.

32Voor wat betreft de steden van de Levieten, en de huizen van de steden van hun bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.

33En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad van zijn bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden van de Levieten zijn hun bezitting in het midden van de Israëlieten.

34Maar het veld van de voorstad van hun steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.

35En als uw broer zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult u hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.

36U zult geen rente noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve.

37Uw geld zult u hem niet op rente geven, en u zult uw voedsel niet op overwinst geven.

38Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij.

39Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf;

40Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.

41Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht terugkeren, en tot de bezitting van zijn vaders terugkeren.

42Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, zoals men een slaaf verkoopt.

43U zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar u zult vrezen voor uw God.

44Voor wat betreft uw slaaf of uw slavin, die u zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult u een slaaf of een slavin kopen.

45U zult ze ook kopen van de kinderen van de bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn.

46En u zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; u zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broers, de Israëlieten, ieder over zijn broer, u zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.

47En wanneer de hand van een vreemdeling en bijwoner, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broer, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling, de bijwoner, die bij u is, of aan de stam van het geslacht van de vreemdeling zal verkocht hebben;

48Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; één van zijn broers zal hem lossen;

49Of zijn oom, of de zoon van zijn oom, zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn lichaam van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelf losse.

50En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; zo dat het geld van zijn verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen van een dagloner zal het met hem zijn.

51Als nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn losprijs van het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven.

52En als er nog weinig van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn losprijs wedergeven.

53Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.

54En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.

55Want de Israëlieten zijn Mij tot dienaren; Mijn dienaren zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben JAHWEH, uw God!