BijbelLeviticus

Leviticus 26

Lees Leviticus 26 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Nadat God de afgoderij verboden, en het onderhouden van zijn sabbatten, alsmede de hele godsdienst bevolen heeft, vers 1, enz. doet hij vele uitnemende beloften aan hen die naar zijn wet zouden leven, 3. Maar verschrikkelijke dreigementen tegen de overtreders daarvan, 14. Belovende echter genadig te zijn aan hen die zich zouden bekeren, en alle weldaden te bewijzen, 40. Met een besluit dat toont van wie, aan wie, waar en door wie deze wetten gegeven waren, 46.

1U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u zich stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben JAHWEH, uw God!

2Mijn sabbatten zult u houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben JAHWEH!

3Als u in Mijn voorschriften wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;

4Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven;

5En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen.

6Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.

7En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.

8Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.

9En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.

10En u zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult u vanwege het nieuwe uitbrengen.

11En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.

12En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn.

13Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zou zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.

14Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;

15En zo u Mijn voorschriften zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat u niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;

16Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.

17Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen u zetten, dat u geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw vijanden zullen over u heerschappij hebben, en u zult vluchten, als u iemand vervolgt.

18En zo u Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.

19Want Ik zal de trots van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.

20En uw macht zal zinloos verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte van het land zal zijn vrucht niet geven.

21En zo u met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.

22Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.

23Als u nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;

24Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.

25Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond wreken zal, zodat u in uw steden verzameld zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en u zult in de hand van de vijand overgegeven worden.

26Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden.

27Als u ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;

28Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.

29Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten.

30En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw afgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.

31En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijke reuk niet ruiken.

32Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.

33Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.

34Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.

35Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde.

36En voor wat betreft de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen van hun vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten, zoals men vlucht voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.

37En zij zullen de één op de ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en u zult voor het aangezicht van uw vijanden niet kunnen bestaan.

38Maar u zult omkomen onder de heidenen, en het land van uw vijanden zal u verteren.

39En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen van uw vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden van hun vaders zullen zij met hen uitteren.

40Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid van hun vaders met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.

41Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land van hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben;

42Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;

43Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn voorschriften gewalgd had.

44En hierenboven is dit ook; als zij in het land van hun vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben JAHWEH, hun God!

45Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond van de voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen van de heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God was; Ik ben JAHWEH!

46Dit zijn die voorschriften, en die rechten, en die wetten, die JAHWEH gegeven heeft, tussen Zich en tussen de Israëlieten, op de berg Sinaï, door de hand van Mozes.