BijbelLeviticus

Leviticus 27

Lees Leviticus 27 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over het lossen van de mensen die God beloofd waren, vers 1, enz. Van de dieren, 9. Van de huizen, 14. Van het veld of de akkers, 16. Welke dingen men niet mocht beloven, en die, eenmaal beloofd, men mocht lossen of niet, 26. Over het lossen van de tienden, zowel van de vruchten als van het vee, 30.

1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

2Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen van JAHWEH zijn.

3Als uw schatting van een man zal zijn van twintig jaar oud, tot een, die zestig jaar oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom.

4Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkels.

5En is het van een, die vijf jaar oud is, tot een, die twintig jaar oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkels zijn, en voor een vrouw tien sikkels.

6Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaar oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkels zilver, en uw schatting over een vrouw zal zijn drie sikkels zilver.

7En is het van een, die zestig jaar oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkels, en voor een vrouw tien sikkels.

8Maar zo hij armer is, dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht van de priester zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat de hand van degene, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten.

9En als het een beest is, waarvan men aan JAHWEH offergave offert; al wat hij daarvan aan JAHWEH zal gegeven hebben, zal heilig zijn.

10Hij zal niet vermangelen, noch het verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; als hij toch een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn.

11En als het enig onrein beest is, van dat men aan JAHWEH geen offergave offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht van de priester zetten.

12En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn.

13Maar als hij het immers lossen zal, zo zal hij zijn vijfde deel boven uw schatting toedoen.

14En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het voor JAHWEH heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; zoals de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben.

15En als hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, zo zal het zijne zijn.

16Als ook iemand van de akker van zijn bezitting aan JAHWEH wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkels zilver.

17Als hij zijn akker van het jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben.

18Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden.

19En als hij, die de akker geheiligd heeft, die geheel lossen zal, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, en die zal hem gevestigd zijn.

20En als hij die akker niet zal lossen, of als hij die akker aan een andere man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden.

21Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal voor JAHWEH heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal van de priester zijn.

22En als hij aan JAHWEH een akker heeft geheiligd, die hij gekocht heeft, en niet is van de akker van zijn bezitting;

23Zo zal de priester hem rekenen het totaal van uw schatting tot het jubeljaar; en hij zal op die dag uw schatting geven, een heiligheid voor JAHWEH.

24In het jubeljaar zal die akker terugkomen tot die, van wie hij hem gekocht had, tot hem, van wie de bezitting van dat land was.

25Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera.

26Maar het eerstgeborene, dat voor JAHWEH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van JAHWEH.

27Maar is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en als het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting.

28Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand voor JAHWEH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal voor JAHWEH een heiligheid van de heiligheden zijn.

29Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zeker gedood worden.

30Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van JAHWEH; zij zijn voor JAHWEH heilig.

31Maar zo iemand van zijn tienden immer iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen.

32Voor wat betreft al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal voor JAHWEH heilig zijn.

33Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar als hij het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden.

34Dit zijn de geboden, die JAHWEH Mozes geboden heeft, aan de Israëlieten, op de berg Sinaï.