BijbelLeviticus

Leviticus 4

Lees Leviticus 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over de manier van de offergaven die gebracht moesten worden voor de zonden die uit afdwaling zouden gebeuren, vers 1, enz. ofwel van de hogepriester, 3. ofwel van de hele gemeente, 13. ofwel van een vorst en overste, 22. ofwel van een gewoon en eenvoudig man, 27.

1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

2Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van JAHWEH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben;

3Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een stier, een volkomen jong rund, voor JAHWEH als zondoffer.

4En hij zal die stier brengen tot de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van JAHWEH; en hij zal zijn hand op het hoofd van die stier leggen, en hij zal die stier slachten voor het aangezicht van JAHWEH.

5Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de stier nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen.

6En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van JAHWEH, voor het voorhangsel van het heilige.

7Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar van de geurende specerijen, voor het aangezicht van JAHWEH, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de stier uitgieten aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is aan de deur van de tent van de samenkomst.

8Verder, al het vet van de stier van het zondoffer zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is;

9Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen;

10Zoals het van de os van het dankoffer opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het altaar van het brandoffer.

11Maar de huid van die stier, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn poten, en zijn binnenste, en zijn mest;

12En die hele stier zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.

13Als nu de hele gemeenschap van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van JAHWEH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden;

14En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een stier, een jong rund, als zondoffer offeren, en die voor de tent van de samenkomst brengen;

15En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de stier leggen, voor het aangezicht van JAHWEH; en hij zal de stier slachten voor het aangezicht van JAHWEH.

16Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de stier tot de tent van de samenkomst brengen.

17En de priester zal zijn vinger indopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van JAHWEH, voor het voorhangsel.

18En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH is, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is voor de deur van de tent van de samenkomst.

19Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken.

20En hij zal deze stier doen, zoals hij de stier van het zondoffer gedaan heeft, zo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.

21Daarna zal hij die stier tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, zoals hij de eerste stier verbrand heeft; het is een zondoffer van de gemeente.

22Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen één van de geboden van JAHWEH van zijn God, door afdwaling, gedaan zal hebben, dat niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is;

23Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje.

24En hij zal zijn hand op het hoofd van de bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van JAHWEH; het is een zondoffer.

25Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar van het brandoffer doen; dan zal hij zijn bloed aan de bodem van het altaar van het brandoffer uitgieten.

26Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, zoals het vet van het dankoffer; zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden.

27En zo enig mens van het volk van het land door afdwaling zal gezondigd hebben, omdat hij iets doet tegen één van de geboden van JAHWEH, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is;

28Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offergave brengen een jonge geit, een volkomen vrouwtje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft.

29En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats van het brandoffer.

30Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten.

31En al haar vet zal hij afnemen, zoals het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.

32Maar zo hij een lam voor zijn offergave als zondoffer brengt, het zal een volkomen vrouwtje zijn, dat hij brengt.

33En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht.

34Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten.

35En al het vet daarvan zal hij afnemen, zoals het vet van het lam van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuuroffers van JAHWEH; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.