Leviticus 6
Lees Leviticus 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Wetten over hen die hun naaste iets ontvreemd hadden, vers 1, enz. Verdere uitleg van de wettelijke wijze van het brandoffer, 8. van het spijsoffer, zowel het gewone, 14. als wat bij de inwijding van Aäron en zijn zonen geofferd moest worden, 19. En ten slotte van het zondoffer, 24.
1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
2Als een mens gezondigd, en tegen JAHWEH door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van wat hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt;
3Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende.
4Het zal dan gebeuren, omdat hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal de roof, die hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft;
5Of van al, waarover hij vals gezworen heeft, dat hij het in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, die zal hij dat geven op de dag van zijn schuld.
6En hij zal aan JAHWEH zijn schuldoffer brengen tot de priester, een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting, als schuldoffer.
7Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht van JAHWEH, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.
8Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
9Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is wat door het vuur op het altaar de gehele nacht tot aan de morgen opvaart; waar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden.
10En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.
11Daarna zal hij zijn kleren uittrekken, en zal andere kleren aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats.
12Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankoffers daarop aansteken.
13Het vuur zal steeds op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.
14Dit is nu de wet van het voedseloffer; één van de zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht van JAHWEH offeren, voor het altaar.
15En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem van het voedseloffer, en van zijn olie, en al de wierook, die op het voedseloffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot zijn herinnering voor JAHWEH.
16En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten.
17Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuuroffers; het is een heiligheid van de heiligheden, zoals het zondoffer en zoals het schuldoffer.
18Al wat mannelijk is onder de zonen van Aäron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw generaties van de vuuroffers van JAHWEH; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn.
19Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
20Dit is de offergave van Aäron en van zijn zonen, die zij aan JAHWEH offeren zullen, op de dag als hij zal gezalfd worden: het tiende deel van een efa meelbloem, een voedseloffer steeds; de helft daarvan op de morgen, en de helft daarvan op de avond.
21Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroosterd zult u het brengen; en de gebakken stukken van het voedseloffer zult u offeren, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH.
22Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor JAHWEH geheel aangestoken worden.
23Zo zal alle voedseloffer van de priester geheel zijn; het zal niet gegeten worden.
24Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:
25Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van JAHWEH geslacht worden; het is een heiligheid van de heiligheden.
26De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst.
27Al wat daarvan vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult u in de heilige plaats wassen.
28En de aarden pot, waarin het gekookt is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen pot gekookt is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.
29Al wat mannelijk is onder de priesters, zal dat eten; het is een heiligheid van de heiligheden.
30Maar geen zondoffer, waarvan het bloed in de tent van de samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.