BijbelLeviticus

Leviticus 7

Lees Leviticus 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Wetten over het schuldoffer, vers 1, enz. met uitleg wat de priester daarvan en van enige andere offergaven toekwam, 7. Wetten over het dankoffer, 11. zowel het lofoffer, 12. als het gelofteoffer en het vrijwillig offer, 16. Verbod om het vet te eten, met een uitleg welk vet men voor andere dingen mocht gebruiken, 22. Verbod om bloed te eten, 26. Nog een aanhangsel over het dankoffer, 28. Besluit van alle voorgaande wetten, 35.

1Dit is nu de wet van het schuldoffer; het is een heiligheid van de heiligheden.

2In de plaats, waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en men zal daarvan bloed rondom op het altaar sprenkelen.

3En daarvan zal men al zijn vet offeren, de staart, en het vet, dat het binnenste bedekt;

4Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat op de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal men afnemen.

5En de priester zal die aansteken op het altaar, als vuuroffer voor JAHWEH; het is een schuldoffer.

6Al wat mannelijk is onder de priesters zal dat eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid van de heiligheden.

7Zoals het zondoffer, zo zal ook het schuldoffer zijn; één wet zal daarvoor zijn; het zal van de priester zijn, die daarmee verzoening gedaan zal hebben.

8Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid van het brandoffer hebben, dat hij geofferd heeft.

9Daartoe al het voedseloffer, dat in de oven gebakken wordt, met al wat in de ketel en in de pan bereid wordt, zal van de priester zijn, die dat offert.

10Ook alle voedseloffer met olie gemengd, of droog, zal voor alle zonen van Aäron zijn, voor de enen als voor de anderen.

11Dit is nu de wet van het dankoffer, dat men aan JAHWEH offeren zal.

12Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroosterde meelbloem zijn.

13Naast de koeken zal hij tot zijn offergave gedesemd brood offeren, met het lofoffer van zijn dankoffer.

14En één daarvan uit de hele offergave zal hij aan JAHWEH als hefoffer offeren; het zal voor de priester zijn, die het bloed van het dankoffer sprengt.

15Maar het vlees van het lofoffer van zijn dankoffer zal op de dag van zijn offergave gegeten worden; daarvan zal men niet tot de morgen overlaten.

16En zo het slachtoffer van zijn offergave een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook op de andere dag gegeten worden.

17Wat nog van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, zal op de derde dag met vuur verbrand worden;

18Want zo enigszins van dat vlees van zijn dankoffer op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen.

19En het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten.

20Maar als een ziel het vlees van het dankoffer, dat van JAHWEH is, gegeten zal hebben, en haar onreinheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.

21En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinheid van de mens, of het onreine vee, of enig onrein gruwel, en zal van het vlees van het dankoffer, dat van JAHWEH is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.

22Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

23Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult u eten.

24Maar het vet van een kadaver, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebezigd worden; maar u zult het geheel niet eten.

25Want al wie het vet van vee eten zal, van dat men aan JAHWEH een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden.

26Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee.

27Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden.

28Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

29Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wie zijn dankoffer voor JAHWEH offert, zal zijn offergave van zijn dankoffer voor JAHWEH toebrengen.

30Zijn handen zullen de vuuroffers van JAHWEH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH te bewegen.

31En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn.

32U zult ook de rechterschouder tot een hefoffer de priester geven, uit uw dankoffers.

33Wie uit de zonen van Aäron het bloed van het dankoffer en het vet offert, die zal de rechterschouder ten dele zijn.

34Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en heb die aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de Israëlieten.

35Dit is de zalving van Aäron en de zalving van zijn zonen, van de vuuroffers van JAHWEH; op de dag als Hij hen deed naderen, om het priesterdom voor JAHWEH te bedienen;

36Dat JAHWEH hun van de Israëlieten te geven geboden heeft, op de dag als Hij hen zalfde; het zij een eeuwige inzetting voor hun generaties.

37Dit is de wet van het brandoffer, van het voedseloffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer;

38Die JAHWEH Mozes op de berg Sinaï geboden heeft, op de dag als Hij de Israëlieten gebood, dat zij hun offergaven aan JAHWEH, in de woestijn van Sinaï, zouden offeren.