BijbelLeviticus

Leviticus 8

Lees Leviticus 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Nadat Mozes, overeenkomstig Gods bevel, de gemeente van de Israëlieten verzameld had, vers 1, enz. wast hij Aäron en zijn zonen, 6. Trekt Aäron de hogepriesterlijke kleren aan, 7. zalft de tabernakel met het altaar en het wasvat, 10. zalft Aäron, 12. doet zijn zonen de heilige kleren aan, 13. brengt voor hen offergaven, 14. voegt daar nog andere plechtigheden bij rondom hun ledematen en kleren; met een spijsoffer, 23. geeft hun enige geboden, 31. die zij nakomen, 36.

1Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

2Neem Aäron en zijn zonen met hem, en de kleren, en de zalfolie, daartoe de stier van het zondoffer, en de twee rammen, en de mand van de ongezuurde broden;

3En verzamel de hele gemeenschap aan de deur van de tent van de samenkomst.

4Mozes nu deed, zoals JAHWEH hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent van de samenkomst.

5Toen zei Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die JAHWEH geboden heeft te doen.

6En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen, en waste hen met dat water.

7Daar deed hij hem de rok aan, en gordde hem met de gordel, en trok hem de mantel aan; en deed hij hem de efod aan, en gordde die met de kunstige riem van de efod, en ombond hem daarmee.

8Verder deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de borstlap de Urim en de Thummim.

9En hij zette de tulband op zijn hoofd; en aan de tulband boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon van de heiligheid, zoals JAHWEH Mozes geboden had.

10Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.

11En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.

12Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen.

13Ook deed Mozes de zonen van Aäron naderen, en trok hun onderkleding aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun hoofddoeken op, zoals JAHWEH Mozes geboden had.

14Toen deed hij de stier van het zondoffer bijeenkomen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de stier van het zondoffer;

15En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daarvoor verzoening te doen.

16Verder nam hij al het vet, dat aan het binnenste is, en het net van de lever, en de twee nieren en haar vet; en Mozes stak het aan op het altaar.

17Maar de stier met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, zoals JAHWEH Mozes geboden had.

18Daarna deed hij de ram van het brandoffer bijbrengen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram.

19En men slachtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom.

20Hij deelde ook de ram in zijn delen; en Mozes stak het hoofd aan, en die delen, en het smeer;

21Maar het binnenste en de poten waste hij met water; en Mozes stak die hele ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijke reuk, een vuuroffer was het voor JAHWEH, zoals JAHWEH Mozes geboden had.

22Daarna deed hij de andere ram, de ram van het vuloffer, bijbrengen; en Aäron met zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram.

23En men slachtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op het lapje van Aärons rechteroor, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet.

24Hij deed ook de zonen van Aäron naderen; en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun rechteroor, en op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed rondom op het altaar.

25En hij nam het vet, en de staart, en al het vet, dat aan het binnenste is, en het net van de lever, en de beide nieren, en haar vet, daartoe de rechterschouder.

26Ook nam hij uit de mand van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van JAHWEH was, één ongezuurde koek, en één geoliede broodkoek, en één platte koek; en hij legde ze op dat vet, en op de rechterschouder.

27En hij gaf dat alles in de handen van Aäron, en in de handen van zijn zonen; en bewoog die als beweegoffer, voor het aangezicht van JAHWEH.

28Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren vuloffers tot een liefelijke reuk; het was een vuuroffer voor JAHWEH.

29Verder nam Mozes de borst, en bewoog ze als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH; zij werd Mozes ten dele van de ram van het vuloffer, zoals JAHWEH Mozes geboden had.

30Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn kleren, en op zijn zonen, en op de kleren van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron, zijn kleren, en zijn zonen, en de kleren van zijn zonen met hem.

31En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Kook dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet het daar, en ook het brood, dat in de mand van het vuloffer is; zoals ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten.

32Maar het overige van het vlees en van het brood zult u met vuur verbranden.

33Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw vuloffer; want zeven dagen zal men uw handen vullen.

34Zoals men gedaan heeft op deze dag, heeft JAHWEH te doen geboden, om voor u verzoening te doen.

35U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van JAHWEH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden.

36Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die JAHWEH door de dienst van Mozes geboden had.