Leviticus 9
Lees Leviticus 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Aäron wordt bevolen de dienst van zijn priesterlijk ambt aan te vangen, vers 1, enz. Hij doet dat, en offert eerst voor zichzelf, 8. Daarna voor het volk, 15. Dat hij ook zegent, 22. God bevestigt deze dienst met een teken, 24.
1En het gebeurde op de achtste dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël;
2En hij zei tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, als zondoffer, en een ram als brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht van JAHWEH.
3Daarna spreek tot de Israëlieten, zeggende: Neem een geitenbok als zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, als brandoffer;
4Ook een os en ram als dankoffer, om voor het aangezicht van JAHWEH te offeren; en voedseloffer met olie gemengd; want vandaag zal JAHWEH u verschijnen.
5Toen namen zij wat Mozes geboden had, en brachten dat tot voor aan de tent van de samenkomst; en de hele gemeenschap naderde, en stond voor het aangezicht van JAHWEH.
6En Mozes zei: Deze zaak, die JAHWEH geboden heeft, zult u doen; en de heerlijkheid van JAHWEH zal u verschijnen.
7En Mozes zei tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offergave van het volk toe, en doe de verzoening voor hen, zoals JAHWEH geboden heeft.
8Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was.
9En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar.
10Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, zoals JAHWEH Mozes geboden had.
11Maar het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger.
12Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar.
13Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar.
14En hij waste het binnenste en de poten; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar.
15Daarna deed hij de offergave van het volk toebrengen; en nam de bok van het zondoffer, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem als zondoffer, zoals het eerste.
16Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht.
17En hij deed het voedseloffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, naast het morgenbrandoffer.
18Daarna slachtte hij de os, en de ram als dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, dat hij rondom op het altaar sprengde;
19En het vet van de os, en van de ram, de staart, en wat het binnenste bedekt, en de nieren, en het net van de lever;
20En zij leiden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar.
21Maar de borsten en de rechterschouder bewoog Aäron als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH, zoals Mozes geboden had.
22Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had.
23Toen ging Mozes met Aäron in de tent van de samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen aan al het volk.
24Want een vuur ging uit van het aangezicht van JAHWEH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het hele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.