Bijbel

Lukas

Nieuwe Testament · 24 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Dit boek heeft dezelfde inhoud als de voorgaande, behalve dat Lukas nog enkele bijzondere zaken beschrijft die door de andere evangelisten waren weggelaten. Na de voorrede beschrijft hij de ouders en de ontvangenis van Johannes de Doper, en de ontvangenis van Christus, die door de engel Gabriël aan Maria werd aangekondigd; Maria spreekt daarover met de engel, vertelt het aan haar nicht Elisabet, en prijst God met een lofzang; hij verhaalt de geboorte en besnijdenis van Johannes de Doper, en de lofzang die zijn vader Zacharias daarover voor God gezongen heeft (hoofdstuk 1). Daarna wanneer, waar en uit wie Christus geboren is, en hoe zijn geboorte door de engelen aan de herders bekendgemaakt is; zijn besnijdenis en zijn opdracht in de tempel, waar hij door de oude Simeon omhelsd wordt, met een lofzang en een voorzegging, en door de profetes Anna beleden wordt; zijn opgroeien en zijn gesprek, toen hij pas twaalf jaar oud was, met de leraren in de tempel (hoofdstuk 2). Wanneer en hoe Johannes de Doper zijn dienst begonnen is, met dopen en onderwijzen, terwijl hij heel het volk vrijmoedig vermaande en naar Christus wees; hoe hij Christus gedoopt heeft, van wie hij ook het geslachtsregister verhaalt (hoofdstuk 3). Hoe Christus zich met vasten op zijn ambt heeft voorbereid en de verzoeking van de duivel heeft overwonnen; zijn leerambt in Galilea begonnen heeft, en te Nazaret, waar hij woonde, uit de profeet Jesaja heeft bewezen dat hij de beloofde Messias was, waarom hij de stad uit geworpen werd; dat hij te Kapernaüm onderwezen heeft, een onreine geest heeft uitgeworpen, de schoonmoeder van Petrus van de koorts en veel andere zieken en bezetenen heeft genezen, en verder is gaan prediken in andere steden (hoofdstuk 4). Dat hij Simon Petrus, Jakobus en Johannes, na een wonderbaarlijke visvangst, tot apostelen geroepen heeft; een melaatse gereinigd en een verlamde, die door het dak neergelaten werd, genezen heeft; dat hij Mattheüs van het tolhuis tot apostel heeft geroepen, en hoe hij zich verdedigd heeft toen men hem verweet dat hij met de tollenaars en zondaars at, en zijn discipelen verweet dat zij niet vastten (hoofdstuk 5). Ook dat zij op de sabbat aren plukten, en dat hij op de sabbat een verschrompelde hand had genezen; dat hij twaalf apostelen gekozen heeft, voor wie, evenals voor de hele menigte, hij een voortreffelijke toespraak houdt, waarin hij de apostelen hun gelukzaligheid aanwijst, en de goddelozen en huichelaars hun zonden en straffen (hoofdstuk 6). Dat hij de dienaar van een hoofdman te Kapernaüm, die op sterven lag, gezond heeft gemaakt, en een jongeman die te Naïn gestorven was uit de dood heeft opgewekt; wat hij geantwoord heeft aan de discipelen die Johannes de Doper naar hem gezonden had, en welk getuigenis hij over Johannes gegeven heeft tegenover het volk; hoe hij klaagt over de hardnekkigheid van de Joden; en hoe hij een zondares die in het huis van Simon de farizeeër haar zonden beweende, deze vergeven heeft (hoofdstuk 7). Dat hij verder in de andere steden is gaan prediken, vergezeld door de apostelen en enkele vrouwen; en door de gelijkenis van het gezaaide zaad leert hoe men Gods woord moet horen, en door die van een kaars hoe men het moet prediken; wie zijn moeder en broers zijn; dat hij een grote storm stilt op het meer, een zeer kwaadaardige onreine geest uitwerpt, een vrouw met bloedvloeiing geneest, en het dochtertje van Jaïrus uit de dood opwekt (hoofdstuk 8). Dat hij zijn apostelen uitgezonden heeft om te prediken, met macht om de duivelen uit te werpen; dat Herodes hem probeerde te zien; dat hij vijfduizend mannen gevoed heeft met vijf broden en twee vissen; dat hij zijn discipelen vraagt wat het volk over hem dacht; dat hij zijn lijden voorzegt; leert wat zij moeten doen die zijn discipelen willen zijn; dat hij op de berg voor drie discipelen een staaltje van zijn heerlijkheid toont; een onreine geest uit een jongen werpt die zijn discipelen niet konden uitwerpen; zijn lijden opnieuw voorzegt; de discipelen bestraft over hun eerzucht en hun wraakzucht tegen de Samaritanen; en leert hoe men hem moet volgen (hoofdstuk 9). Dat hij nog 70 andere discipelen uitgezonden heeft om te prediken, en de steden die het Evangelie zouden verwerpen gewaarschuwd heeft; dat de discipelen met blijdschap terugkeren, die hij gelukkig prijst omdat zij deze tijd meemaakten; hoe hij geantwoord heeft aan een wetgeleerde die vroeg wat hij zou moeten doen om het eeuwige leven te verkrijgen, en met de gelijkenis van een Samaritaan geleerd heeft wie onze naaste is; dat hij door twee zusters, Marta en Maria, in hun huis ontvangen werd, van wie hij de een bestraft en de ander prijst (hoofdstuk 10). Dat hij zijn discipelen heeft leren bidden, en met de gelijkenissen van een vriend en een vader belooft dat zij verhoord zullen worden; dat hij met de gelijkenis van een sterk gewapende bewijst dat hij de duivelen niet door Beëlzebul uitwierp; dat hij het volk leert dat de Ninevieten en de koningin van het zuiden hen zullen veroordelen die zijn Evangelie zullen verwerpen; dat hij de farizeeën en schriftgeleerden bestraft over hun huichelarij en hun vervolging van de profeten, aan wie hij ook zware straffen aanzegt (hoofdstuk 11). Dat hij zijn discipelen vermaant het Evangelie openlijk te prediken en de vervolging niet te vrezen; weigert scheidsrechter te zijn over een erfenis; en het volk door de gelijkenis van een rijke man vermaant zich te wachten voor hebzucht, evenals voor al te grote zorg om het onderhoud van dit leven; vermaant aalmoezen te geven, te bidden en waakzaam te zijn met het oog op zijn komst, die onverwacht zal gebeuren; waarschuwt voor de tweedracht die onder de mensen zal ontstaan wanneer het Evangelie gepredikt zal worden; en vermaant tot voorzichtigheid en verzoeningsgezindheid (hoofdstuk 12). Eveneens tot boetvaardigheid, door enkele gebeurtenissen en door de gelijkenis van een onvruchtbare vijgenboom; geneest op de sabbat een vrouw die 18 jaar krom gelopen had; verklaart de verbreiding van het Evangelie door de gelijkenissen van een mosterdzaad en zuurdesem; kondigt de huichelaars aan dat zij uit de hemel zullen worden buitengesloten en in de hel geworpen; verwijt de inwoners van Jeruzalem hun ongeloof en kondigt hun verwoesting aan (hoofdstuk 13). Geneest op de sabbat iemand met waterzucht en verdedigt dat; vermaant tot nederigheid; leert wie men voor een maaltijd zal uitnodigen; vergelijkt het koninkrijk van God met een grote maaltijd waarvoor veel genodigden niet wilden komen; vermaant zijn discipelen het kruis te dragen, voorzichtig te zijn en alles op te geven (hoofdstuk 14). Door de gelijkenissen van een verloren schaap en een verloren penning vermaant hij tot ijver in hun ambt, en door de gelijkenis van een verloren zoon tot boetvaardigheid en tot vreugde daarover (hoofdstuk 15). Door de gelijkenis van een onrechtvaardige rentmeester vermaant hij tot weldadigheid, met een verklaring van de onveranderlijkheid van de wet, in het bijzonder wat het huwelijk betreft; en door de gelijkenis van een rijke vrek en van Lazarus laat hij zien hoe verschillend de toestand van de mensen is, zowel in dit als in het toekomende leven (hoofdstuk 16). Hij vermaant ergernissen te mijden en zijn naaste te vergeven; beschrijft de kracht van het geloof; en leert dat God ons niet uit verdienste maar uit genade beloont; geneest tien melaatsen; leert hoe de mensen zich zullen gedragen wanneer hij ten oordeel zal komen (hoofdstuk 17). Door de gelijkenissen van een weduwe en een onrechtvaardige rechter leert hij dat men in het gebed altijd moet aanhouden; en door die van een tollenaar en een farizeeër die opgingen om te bidden, wie door God gerechtvaardigd zullen worden. Hij laat de kinderen tot hem brengen en vermaant dat men moet worden als zij; houdt aan degenen die door de wet gerechtvaardigd willen worden Gods geboden voor; waarschuwt hoezeer de rijkdommen de zaligheid in de weg staan; belooft beloning aan wie hem belijden; voorzegt zijn lijden en opstanding; en geneest een blinde (hoofdstuk 18). Dat hij Zacheüs te Jericho bekeert; door de gelijkenis van tien ponden vermaant hij om de gaven van God goed te besteden; hoe hij zijn koninklijke intocht in Jeruzalem houdt, over die stad weent, en de kopers en verkopers de tempel uit werpt (hoofdstuk 19). Hoe hij de overpriesters en de schriftgeleerden vraagt waar de doop van Johannes vandaan kwam; door de gelijkenis van een verhuurde wijngaard hun hun goddeloosheid voor ogen stelt; op de vraag of men de keizer belasting moet betalen antwoordt; de opstanding van de doden verdedigt tegen de sadduceeën; en leert dat de Christus niet alleen een zoon, maar ook een Heere van David is; en het volk waarschuwt zich voor de schriftgeleerden te wachten (hoofdstuk 20). Dat hij de kleine gift van een arme weduwe prijst; de verwoesting van de tempel voorzegt, met de tekenen die zowel daaraan als aan zijn laatste komst zullen voorafgaan; vermaant tot waken en bidden; en aangeeft wat hij toen te Jeruzalem gedaan heeft (hoofdstuk 21). Hoe Judas met de overpriesters onderhandeld heeft om hem in hun handen over te leveren; hoe hij het laatste Pascha met zijn discipelen gehouden heeft, en op diezelfde plaats het Heilig Avondmaal heeft ingesteld en met zijn discipelen gevierd; het verraad van Judas heeft voorzegd; de discipelen over hun eerzucht heeft bestraft, en hen ook getroost heeft; en in het bijzonder Petrus heeft gewaarschuwd tegen zijn val, die hij voorzegt; de apostelen heeft versterkt tegen de moeilijkheden die hun te wachten stonden; hoe hij zijn lijden begonnen is met het gebed in een hof; door Judas met een kus verraden is; en door de gewapende soldaten gevangengenomen en naar het huis van de hogepriester geleid wordt, waar Petrus hem driemaal verloochent en hij geslagen wordt; dat hij voor de Raad geleid is en door deze ter dood veroordeeld (hoofdstuk 22). Hoe hij naar de stadhouder Pilatus geleid is, die na hem ondervraagd te hebben verklaart geen schuld in hem gevonden te hebben, en hem naar Herodes stuurt, die hem spottend terugzendt; dat Pilatus geprobeerd heeft hem na geseling vrij te laten en hem te stellen tegenover een doodslager, Barabbas, wat hem mislukt is, en hem daarom overlevert om gekruisigd te worden; hoe hij zijn kruis de stad uit gedragen heeft, geholpen door Simon van Cyrene, en onderweg tegen de vrouwen van Jeruzalem tevoren de ellende die hun te wachten stond heeft voorzegd; hoe en waar hij gekruisigd is met twee misdadigers, en aan het kruis bespot en gelasterd werd, ook door een van de misdadigers die met hem gekruisigd waren, die daarover bestraft wordt door zijn metgezel, welke zich bekeert; dat hij na een grote verduistering rond de middag zijn geest gegeven heeft, en door een raadslid, Jozef van Arimatea, begraven is (hoofdstuk 23). Hoe hij op de eerste dag van de week weer opgestaan is, en zijn opstanding door engelen bekendgemaakt is aan de vrouwen die kwamen om zijn lichaam te zalven; hoe hij zich aan twee discipelen die naar Emmaüs gingen geopenbaard heeft, en daarna aan de elf discipelen die bijeen waren, aan wie hij zijn handen en voeten laat aanraken en met wie hij eet; en hoe hij, nadat hij hun de Heilige Geest beloofd had, in hun aanwezigheid ten hemel opgevaren is (hoofdstuk 24).