Lukas 11
Lees Lukas 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus geeft zijn discipelen een voorbeeld om te bidden. 5 Met de gelijkenissen van een vriend en van een vader leert Hij dat zij die in het gebed volharden, verhoord zullen worden. 14 Hij werpt een stomme duivel uit en weerspreekt de laster van hen die zeiden dat Hij dat door Beelzebul deed. 24 Hij beschrijft de ellendige toestand van de mens, in wie de onreine geest terugkeert. 27 Een vrouw prijst de schoot zalig die Christus gedragen heeft. 29 Christus betuigt dat aan de Joden het teken van Jona gegeven zal worden. 31 Tegenover hun hardnekkigheid stelt Hij het voorbeeld van de koningin van het Zuiden en van de Ninevieten. 33 Met de gelijkenis van een kaars leert Hij dat men het licht van het evangelie niet moet verbergen. 37 Hij bestraft de huichelarij, eerzucht en wreedheid van de Farizeeen en Schriftgeleerden tegen alle profeten en apostelen, en dreigt hun met de straf van God. 53 Daarop leggen de Farizeeen Hem nieuwe lagen.
1En het gebeurde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat één van Zijn discipelen tot Hem zei: Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.
2En Hij zei tot hen: Wanneer u bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen bent! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil gebeure, zoals in de hemel, zo ook op de aarde.
3Geef ons elke dag ons dagelijks brood.
4En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een ieder die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
5En Hij zei tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal om middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden;
6Omdat mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette;
7En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven.
8Ik zeg u: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, toch vanwege zijn onbeschaamdheid, zal hij opstaan, en hem geven zoveel als hij er behoeft.
9En Ik zeg u: Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
10Want een ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden.
11En wat vader onder u, die de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?
12Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?
13Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven van hen, die Hem bidden?
14En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het gebeurde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de menigten verwonderden zich.
15Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de demonen uit door Beëlzebul, de overste van de demonen.
16En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit de hemel.
17Maar Hij, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.
18Als nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Omdat u zegt, dat Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp.
19En als Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze uw zonen uit? Daarom zullen deze uw rechters zijn.
20Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen.
21Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.
22Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn hele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.
23Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet verzamelt, die verstrooit.
24Wanneer de onreine geest van de mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.
25En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd.
26Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste.
27En het gebeurde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de menigte, tot Hem zei: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die U hebt gezogen.
28Maar Hij zei: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord van God horen, en hetzelfde bewaren.
29En als de menigten dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelfde zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet.
30Want zoals Jona de Ninevieten een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen zijn deze geslachte.
31De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier.
32De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier!
33En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.
34De kaars van het lichaam is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw hele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw hele lichaam duister.
35Zie dan toe, dat niet het licht, dat in u is, duisternis zij.
36Als dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, zoals wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.
37Als Hij nu dit sprak, bad Hem een zeker Farizeër, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan.
38En de Farizeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich gewassen had.
39En de Heere zei tot hem: Nu u Farizeën, u reinigt het buitenste van de drinkbeker en van de schotel; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.
40U onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?
41Maar geeft tot liefdegave, wat daarin is; en ziet, alles is u rein.
42Maar wee u, Farizeën, want u vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en u gaat voorbij het oordeel en de liefde van God. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.
43Wee u, Farizeën, want u houdt van het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.
44Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent zoals de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet.
45En één van de wetgeleerden, antwoordende, zei tot Hem: Meester! als U deze dingen zegt, zo doet U ook ons smaad aan.
46Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want u belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelf raakt u die lasten niet aan met één van uw vingers.
47Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw vaders hebben dezelfde gedood.
48Zo getuigt u dan, dat u mee behagen hebt aan de werken van uw vaders; want zij hebben ze gedood, en u bouwt hun graven.
49Waarom ook de wijsheid van God zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;
50Opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging van de wereld af.
51Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en het huis van God; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht!
52Wee u, u wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; u bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd.
53En als Hij deze dingen tot hen zei, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeën hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken;
54Hem hinderlagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.