Lukas 14
Lees Lukas 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus geneest op de sabbat iemand met waterzucht en verdedigt dit. 7 Hij bestraft de eerzucht van de Farizeeen, die de ereplaatsen aan de maaltijd zochten, en vermaant tot nederigheid en weldadigheid jegens de armen. 15 Met de gelijkenis van een groot avondmaal, waarvoor de genodigden zich verontschuldigden te komen, verwijt Hij de Joden hun ondankbaarheid en voorzegt hun verwerping en de roeping van de heidenen in hun plaats. 25 Hij leert dat wie zijn discipel wil zijn, zichzelf en alles wat hem lief is, moet opgeven. 28 Met het voorbeeld van iemand die een toren wil bouwen, en van een koning die tegen een andere koning ten strijde wil trekken, vermaant Hij zijn discipelen vooraf goed de kosten te berekenen. 34 Hij leert dat smakeloos zout nergens toe nuttig is.
1En het gebeurde, als Hij gekomen was in het huis van één van de oversten van de Farizeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten.
2En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.
3En Jezus, antwoordende, zei tot de wetgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken?
4Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.
5En Hij, hun antwoordende, zei: Wie van u zal, als zijn ezel of os in een put valt, hem er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat?
6En zij konden Hem daarop niet weer antwoorden.
7En Hij zei tot de genodigden een gelijkenis, beschouwende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:
8Wanneer u van iemand ter bruiloft uitgenodigd zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien één waardiger dan u van hem uitgenodigd zij;
9En hij, komende, die u en hem uitgenodigd heeft, tot u zeg: Geef deze plaats; en u dan zou beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
10Maar wanneer u uitgenodigd zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u uitgenodigd heeft, hij tot u zeg: Vriend, ga hoger op. Dan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
11Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.
12En Hij zei ook tot degene die Hem uitgenodigd had: Wanneer u een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broers, noch uw familieleden, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelfde u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding gebeure.
13Maar wanneer u een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden;
14En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen.
15En als één van degenen, die mee aanzaten, deze dingen hoorde, zei hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk van God.
16Maar Hij zei tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij nodigde er velen.
17En hij zond zijn dienaar uit op het moment van het avondmaal, om de genodigden te zeggen: Kom, want alle dingen zijn nu gereed.
18En zij begonnen allen zich eensgezind te verontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
19En een ander zei: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
20En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.
21En dezelfde dienaar weer gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer van het huis boos, en zei tot zijn dienaar: Ga haastig uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
22En de dienaar zei: Heere, het is gebeurd, zoals u bevolen hebt, en nog is er plaats.
23En de heer zei tot de dienaar: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;
24Want ik zeg u, dat niemand van die mannen, die uitgenodigd waren, mijn avondmaal smaken zal.
25En vele menigten gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zei tot hen:
26Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zussen, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
27En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
28Want wie van u, die een toren wil bouwen, zit niet eerst neer, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, wat tot voltooiing nodig is?
29Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft, en niet kan voltooien, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.
30Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voltooien.
31Of wat koning, gaande naar de oorlog, om tegen een andere koning te slaan, zit niet eerst neer, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten degene, die met twintig duizend tegen hem komt?
32Anders zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, wat tot vrede dient.
33Zo dan ieder van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
34Het zout is goed; maar als het zout smakeloos geworden is, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden?
35Het is noch tot het land, noch tot de mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.