Bijbel

Maleachi

Oude Testament · 4 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Naar de tijd gerekend is Maleachi de laatste van de twaalf kleine profeten, het dichtst bij de komst van Jezus Christus; hij heeft geprofeteerd toen de tempel en de stad Jeruzalem weer waren opgebouwd. Zijn naam is Maleachi, wat betekent: mijn engel, of mijn bode, mijn gezant. De inhoud van zijn profetie is deze: hij verwijt eerst de boze Joden hun grote ondankbaarheid jegens God, die hun zo veel en zo grote weldaden bewezen had, hen opnieuw in hun land had gebracht en de ware eredienst onder hen had opgericht. Hij bestraft de priesters omdat zij de eredienst hadden vervalst, en het volk vanwege hun talrijke zonden en overtredingen, zoals het ontheiligen van het huwelijk door te trouwen met afgodische vrouwen, meer dan één vrouw te nemen en lichtvaardig hun vrouwen te verstoten, en vanwege hun godslasteringen en hardnekkigheid. Daarbij voorzegt hij de straffen die hun daarom boven het hoofd hingen, met een vermaning tot boete en verbetering van het leven. Hij voorzegt ook, tot troost van de godvrezenden, de komst van Christus, en ook van zijn voorloper Johannes de Doper; alsook dat Christus de schaduwen en voorafbeeldingen van het Oude Testament zou wegnemen en dat hij de ware eredienst, die in geest en waarheid bestaat, over de hele wereld zou planten en oprichten. Zoals hij het volk van God vermaant tot ware boete en bestendigheid in de ware eredienst, zo dreigt hij ook telkens de goddelozen en huichelaars met de zware straffen die hun zouden overkomen. In het Nieuwe Testament worden op verschillende plaatsen enkele uitspraken aangehaald die ontleend zijn aan de profeet Maleachi, zoals Mat. 11:10, Mat. 11:14, Mat. 17:10-13, Mark. 1:2, Mark. 9:12, Luk. 1:16, 17, Luk. 7:27 en Rom. 9:13.