Maleachi 2
Lees Maleachi 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De HEERE dreigt de priesters te straffen, tenzij zij hun leven verbeteren, vers 1, enz. hun verwijtend dat zij van de godzaligheid en oprechtheid van hun voorvaderen afgeweken waren, 5. Hij bestraft de ontheiligers en verbrekers van het huwelijk, 11. Ten slotte bestraft Hij de godslasteraars, 17.
1En nu, u priesters! tot u wordt dit gebod gezonden;
2Als u het niet zult horen, en als u het niet zult ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt JAHWEH van de legermachten, zo zal Ik de vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook elk daarvan vervloekt, omdat u het niet ter harte neemt.
3Zie, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal mest op uw gezichten strooien, de mest van uw feesten, zodat men u daarmee wegnemen zal.
4Dan zult u weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt JAHWEH van de legermachten.
5Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vrees; en hij vreesde Mij, en hij werd omwille van Mijn Naam verschrikt.
6De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in oprechtheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.
7Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van JAHWEH van de legermachten.
8Maar u bent van de weg afgeweken, u hebt er velen doen struikelen in de wet, u hebt het verbond met Levi verdorven, zegt JAHWEH van de legermachten.
9Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het hele volk, omdat u Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.
10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos de één tegen de ander, ontheiligende het verbond van onze vaders?
11Juda handelt trouweloos, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid van JAHWEH, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter van een vreemde god getrouwd.
12JAHWEH zal de man, die dat doet, uitroeien uit de hutten van Jakob, die, die waakt, en die, die antwoordt, en die JAHWEH van de legermachten voedseloffer brengt.
13Dit tweede doet u ook, dat u het altaar van JAHWEH bedekt met tranen, met gehuil en met zuchting; zodat Hij niet meer het voedseloffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil.
14U nu zegt: Waarom? Daarom dat JAHWEH een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw van uw jeugd, met die u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw van uw verbond is.
15Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij van de geest overig had? En waarom maar die ene? Hij zocht een zaad van God. Daarom, wees op uw hoede met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw van zijn jeugd.
16Want JAHWEH, de God van Israël, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij de wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt JAHWEH van de legermachten; daarom wees op uw hoede met uw geest, dat u niet trouweloos handelt.
17U vermoeit JAHWEH met uw woorden; nog zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem? Daarmee, dat u zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen van JAHWEH, en Hij heeft lust aan zulke mensen; of, waar is de God van het oordeel?