Maleachi 3
Lees Maleachi 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie van de zending van Johannes de Doper en de komst van Christus, Die de huichelaars van de oprechte kin deren van God zou afzonderen, vers 1 enz. Daarop volgt een dreiging van straf vanwege de vele zonden die bij de Joden in zwang gingen, 5. Een vermaning tot bekering, en dat zij getrouw hun tienden en hefoffers zouden inbrengen, 7. Alzok een klacht over hun godslasterlijke woorden, 13. met troost aan de godvrezenden, 16.
1Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heere, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Die u lust hebt; zie, Hij komt, zegt JAHWEH van de legermachten.
2Maar wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep van de blekers.
3En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij JAHWEH voedseloffer toebrengen in gerechtigheid.
4Dan zal het voedseloffer van Juda en Jeruzalem JAHWEH zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.
5En Ik zal tot u tot het oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die vals zweren, en tegen degenen, die het loon van de dagloner met geweld inhouden, die de weduwe, en de wees, en de vreemdeling het recht verdraaien, en Mij niet vrezen, zegt JAHWEH van de legermachten.
6Want Ik, JAHWEH, word niet veranderd; daarom bent u, o kinderen van Jakob! niet verteerd.
7Van de dag van uw vaders af, bent u afgeweken van Mijn voorschriften, en hebt ze niet bewaard; keer weer tot Mij, en Ik zal tot u terugkeren, zegt JAHWEH van de legermachten; maar u zegt: Waarin zullen wij terugkeren?
8Zal een mens God beroven? Maar u berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.
9Met een vloek bent u vervloekt, omdat u Mij berooft, zelfs het hele volk.
10Breng al de tienden in het schathuis, opdat er voedsel zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt JAHWEH van de legermachten, of Ik u dan niet opendoen zal de vensters van de hemel, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.
11En Ik zal om uwentwil de opeter bestraffen, dat hij u de vrucht van het land niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt JAHWEH van de legermachten.
12En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want u zult een lustig land zijn, zegt JAHWEH van de legermachten.
13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt JAHWEH; maar u zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?
14U zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nut is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht van JAHWEH van de legermachten?
15En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij JAHWEH, en ontkomen.
16Dan spreken, die JAHWEH vrezen, een ieder tot zijn naaste: JAHWEH merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die JAHWEH vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.
17En zij zullen, zegt JAHWEH van de legermachten, op die dag, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon ontziet, die hem dient.
18Dan zult u opnieuw zien, het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen die, die God dient, en die, die Hem niet dient.