BijbelMarkus

Markus 16

Lees Markus 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De vrouwen komen naar het graf om het lichaam van Christus te zalven. 4 Vin den de steen afgewenteld. 5 Worden door een engel onderricht dat hij uit de doden is opgestaan. 9 Christus verschijnt zelf aan Maria Magdalena. 10 Die het de discipelen bericht, maar niet geloofd wordt. 12 Verschijnt nog aan twee discipelen onderweg. 14 Ten slotte ook aan de elven, wie hij opdracht geeft overal te prediken en te dopen. 17 Belooft dat de gelovigen verscheidene tekenen zullen volgen. 19 Vaart op naar de hemel. 20 En de apostelen voeren Christus' opdracht vruchtbaar uit.

1En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.

2En zeer vroeg op de eerste dag van de week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging;

3En zeiden tot elkaar: Wie zal ons de steen van de deur van het graf afwentelen?

4(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot.

5En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende aan de rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.

6Maar hij zei tot haar: Wees niet verbaasd; u zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.

7Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft.

8En zij, haastig uitgegaan zijnde, vluchtten van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.

9En als Jezus opgestaan was, vroeg in de morgen, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen uitgeworpen had.

10Deze, heengaande, boodschapte het van hen, die met Hem geweest waren, die treurden en huilden.

11En als deze hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet.

12En na deze is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen.

13Deze, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden ook die niet.

14Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardheid van het hart, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.

15En Hij zei tot hen: Ga heen in de hele wereld, predikt het Evangelie aan alle schepselen.

16Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

17En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken.

18Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.

19De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God.

20En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere werkte mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.