BijbelMarkus

Markus 5

Lees Markus 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus drijft een legioen duivelen uit een bezetene. 12 En laat hen toe in de zwijnen te varen. 13 Die allen in de zee verdrinken. 14 De herders berichten dit aan de Gadarenen. 17 Die Christus vragen uit hun landstreek te vertrekken. 18 Wat hij doet, en gebiedt de genezene daar te blijven om deze weldaad bekend te maken. 21 Christus gaat met Jaïrus mee om zijn dochtertje te genezen. 24 En verlost onderweg een vrouw van een twaalfjarige bloedvloeiing. 36 Wekt Jaïrus' dochtertje op, dat inmiddels gestorven was.

1En zij kwamen over op de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen.

2En zo Hij uit het schip gegaan was, meteen ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreine geest;

3Die zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.

4Want hij was dikwijls met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.

5En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelf met stenen.

6Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.

7En met een luide stem roepende, zei hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, U Zoon van God, van de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat U mij niet pijnigt!

8(Want Hij zei tot hem: U onreine geest, ga uit van de mens!)

9En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.

10En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.

11En daar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.

12En al de demonen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in deze mogen varen.

13En Jezus liet het hun meteen toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu ongeveer twee duizend), en versmoorden in de zee.

14En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten dat in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er gebeurd was.

15En zij kwamen tot Jezus, en zagen de bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.

16En die het gezien hadden, vertelden hun, wat de bezetene gebeurd was, en ook van de zwijnen.

17En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun gebied wegging.

18En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.

19Maar Jezus liet hem dat niet toe, maar zei tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uw, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich over U ontfermd heeft.

20En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.

21En als Jezus opnieuw in het schip overgevaren was aan de andere zijde, verzamelde een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee.

22En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met de naam Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,

23En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat U komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden wordt, en zij zal leven.

24En Hij ging met hem; en een grote menigte volgde Hem, en zij verdrongen Hem.

25En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed van het bloed gehad had,

26En veel geleden had van vele dokters, en al het haar daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met wie het eerder erger geworden was;

27Deze van Jezus horende, kwam onder de menigte van achteren, en raakte Zijn kleed aan;

28Want zij zei: Als ik maar Zijn kleren mag aanraken, zal ik gezond worden.

29En meteen is de fontein van haar bloed opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.

30En meteen Jezus, bekennende in Zichzelf de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de menigte, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt?

31En Zijn discipelen zeiden tot Hem: U ziet, dat de menigte U verdringt, en zegt U: Wie heeft Mij aangeraakt?

32En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.

33En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar gebeurd was, kwam en viel voor Hem neer, en zei Hem al de waarheid.

34En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en wees genezen van deze uw kwaal.

35Terwijl Hij nog sprak, kwamen enige van het huis van de overste van de synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat bent u de Meester nog moeilijk?

36En Jezus, meteen gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zei tot de overste van de synagoge: Vrees niet; geloof alleen.

37En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, de broer van Jakobus;

38En kwam in het huis van de overste van de synagoge; en zag de onrust en degenen, die zeer huilden en huilden.

39En ingegaan zijnde, zei Hij tot hen: Waarom maakt u misbaar, en wat weent u? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

40En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich de vader en de moeder van het kind, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.

41En Hij vatte de hand van het kind, en zei tot haar: Talitha kumi! dat is, zijnde overgezet: U dochtertje (Ik zeg u), sta op.

42En meteen stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaar oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.

43En Hij gebood hun zeer, dat niemand het zou weten; en zei, dat men haar zou te eten geven.