Markus 9
Lees Markus 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus wordt op de berg verheerlijkt, in tegenwoordigeid van Mozes en Elia, en wordt betuigd de Zoon van God te zijn. 11 Leert dat Johannes de Doper de Elia is die komen zou. 14 Werpt een stomme en dove geest uit. 18 Wat zijn discipelen niet hadden kunnen doen. 28 Waarvan de oorzaak verhaald wordt. 31 Voorzegt opnieuw zijn dood en opstanding. 33 Vermaant zijn apostelen tot nederigheid door het voorbeeld van een kind. 38 Wil niet dat men hem verhin dert die in zijn naam duivelen uitwierp. 41 Belooft vergelding aan wie de geringste weldaad aan de zijnen doet. 42 En dreigt met zware straffen wie ergernis geeft. 43 Wijst aan dat men van zich moet weren al wat aanstootgevend of hin derlijk is voor de zaligheid. 49 Spreekt van zout in zichzelf en vrede met anderen te hebben.
1En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, voordat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.
2En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hoge berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.
3En Zijn kleren werden blinkende, zeer wit als sneeuw, zoals geen bleker op aarde zo wit maken kan.
4En van hen werd gezien Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus.
5En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één.
6Want hij wist niet, wat hij zei; want zij waren zeer bevreesd.
7En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!
8En haastig rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich.
9En als zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, wat zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn.
10En zij behielden dit woord bij zichzelf, vragende onder elkaar, wat het was, uit de doden opstaan.
11En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elia eerst komen moet?
12En Hij, antwoordende, zei tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weer oprichten; en het zal gebeuren, zoals geschreven is van de Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.
13Maar Ik zeg u, dat ook Elia gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, zoals van hem geschreven is.
14En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote menigte rondom hen, en enige Schriftgeleerden met hen twistende.
15En meteen de hele menigte Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem.
16En Hij vraagde de Schriftgeleerden: Wat twist u met deze?
17En één uit de menigte, antwoordende, zei: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft.
18En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.
19En Hij antwoordden hem, en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem tot Mij.
20En zij brachten die tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem meteen de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.
21En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zei: Van zijn kindsheid af.
22En dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo U iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.
23En Jezus zei tot hem: Zo u kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degene, die gelooft.
24En meteen de vader van het kind, roepende met tranen, zei: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
25En Jezus ziende, dat de menigte gezamenlijk toeliep, bestrafte de onreine geest, zeggende tot hem: U stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem.
26En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, zo dat velen zeiden, dat het gestorven was.
27En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op.
28En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?
29En Hij zei tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.
30En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist.
31Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan.
32Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.
33En Hij kwam te Kapernaüm, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan had u woorden onder elkaar op de weg?
34Maar zij zwegen; want zij waren onder elkaar in woorden geweest op de weg, wie de meeste zou zijn.
35En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zei tot hen: Als iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en dienaar van allen.
36En nemende een kind, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zei tot hen:
37Zo wie één van zulke kinderen zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft.
38En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de demonen uitwierp in Uw Naam, die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.
39Maar Jezus zei: Verbied hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastig van Mij zal kunnen kwalijk spreken.
40Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.
41Want zo wie u een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen.
42En zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ten val brengt, het was hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan was, en dat hij in de zee geworpen was.
43En als uw hand u doet struikelen, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
44Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
45En als uw voet u doet struikelen, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur;
46Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
47En als uw oog u doet struikelen, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk van God in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden;
48Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.
49Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offergave zal met zout gezouten worden.
50Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Heb zout in uzelf, en houdt vrede onder elkaar.