Bijbel

Mattheüs

Nieuwe Testament · 28 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

De evangelist Mattheüs beschrijft in dit boek vooral twee zaken: ten eerste de persoon van de Messias en Middelaar Jezus Christus, en daarna zijn ambt, en hoe hij dat begonnen, uitgeoefend en volbracht heeft. Wat betreft zijn persoon: dat hij de ware Immanuël is, waarachtig God en waarachtig mens in één persoon; en wat betreft zijn menselijke natuur beschrijft hij zijn afkomst, zijn ontvangenis uit de Heilige Geest, en zijn geboorte uit de maagd Maria, met zijn naam (hoofdstuk 1). Dat enkele wijzen uit het oosten, die door een ster van zijn geboorte op de hoogte gebracht waren, gekomen zijn om hem te aanbidden; dat Herodes daarover bevreesd raakte en alle jonge kinderen te Betlehem van twee jaar en jonger heeft laten vermoorden; maar dat de ouders van Christus, door God gewaarschuwd, met dit kind naar Egypte gevlucht zijn, en daarna met hetzelfde kind in Nazaret gaan wonen (hoofdstuk 2). Wat zijn ambt betreft beschrijft hij hoe hij daarop voorbereid is geweest en hoe hij het heeft uitgeoefend: dat Johannes de Doper met zijn prediking hem de weg heeft bereid en hem gedoopt heeft, en dat God de Vader en de Heilige Geest hem toen uit de hemel in dit ambt hebben bevestigd (hoofdstuk 3). Dat hij door veertig dagen vasten en een geweldige strijd tegen de verzoekingen van de duivel daarop verder voorbereid is. Dat hij daarna zijn ambt heeft uitgeoefend en uitgevoerd, zowel in de staat van zijn vernedering als in de staat van zijn verhoging. Dat hij in de staat van zijn vernedering eerst zijn profetisch ambt heeft uitgeoefend, en daartoe van Nazaret naar Kapernaüm is gaan wonen, onderwijzend in de synagogen van Galilea en zijn leer met wonderwerken bevestigend (hoofdstuk 4). Hij beschrijft een voortreffelijke prediking die hij op de berg hield, waarin hij de gelukzaligheid van zijn discipelen aanwijst en de wet zuivert van de valse uitleg van de farizeeën (hoofdstuk 5); leert hoe men aalmoezen moet geven en bidden, en niet te zeer bezorgd moet zijn over het tijdelijke levensonderhoud (hoofdstuk 6); dat men zijn naaste niet moet oordelen, zich voor de valse profeten moet wachten, en Gods woord niet alleen moet horen maar ook bewaren (hoofdstuk 7). Dat hij melaatsen heeft gereinigd, zieken genezen, een storm gestild en duivelen uitgeworpen (hoofdstuk 8). Dat hij een verlamde heeft genezen, Mattheüs van het tolhuis tot apostel geroepen, een vrouw van haar bloedvloeiing verlost, een dochtertje uit de dood opgewekt en een stomme duivel uitgeworpen (hoofdstuk 9). Dat hij de twaalf apostelen vooruit heeft gezonden om te prediken, met macht om de onreine geesten uit te werpen, en met opdracht hoe zij zich daarin moeten gedragen (hoofdstuk 10). Dat hij van Johannes de Doper, toen die twee discipelen naar hem gezonden had, een voortreffelijk getuigenis heeft gegeven; de steden die het Evangelie niet aannamen zeer zware straffen aanzegt; en alle belaste zondaars tot zich nodigt (hoofdstuk 11). Dat hij zijn discipelen, die op de sabbat aren plukten, heeft verdedigd; de hinderlagen van de farizeeën heeft ontweken; een blinde en stomme bezetene heeft genezen; de farizeeën heeft overtuigd van de zonde tegen de Heilige Geest, hun de eeuwige straf heeft aangekondigd, en heeft geleerd wie zijn echte moeder, broer en zuster is (hoofdstuk 12). Dat hij de toestand van zijn gemeente hier heeft beschreven door verschillende gelijkenissen: van een zaaier, een mosterdzaad, een verborgen schat, een koopman en een visnet; en dat hij in zijn vaderstad is gekomen, waar hij niet geacht werd (hoofdstuk 13). Hij verhaalt de gevangenschap en dood van Johannes de Doper, en hoe Christus vijfduizend mensen heeft gevoed met vijf broden en twee vissen, op het water heeft gewandeld, de storm heeft gestild en veel zieken in het land Gennesaret heeft genezen (hoofdstuk 14). Hij heeft zijn discipelen verdedigd, die met ongewassen handen aten, terwijl hij leerde wat het is dat de mens werkelijk verontreinigt; dat hij de dochter van een Kanaänitische vrouw heeft verlost van een onreine geest, en vierduizend mannen heeft verzadigd met zeven broden en een paar vissen (hoofdstuk 15). Dat hij de farizeeën heeft bestraft over het eisen van een teken, en zijn discipelen gewaarschuwd heeft voor hun zuurdesem; dat Petrus van hem een voortreffelijke belijdenis heeft afgelegd, aan wie hij de sleutels van het hemelrijk belooft; dat Christus zijn lijden en dood, evenals zijn opstanding en komst in zijn heerlijkheid, heeft voorzegd (hoofdstuk 16). Dat hij op de berg voor drie discipelen een staaltje van zijn heerlijkheid heeft getoond, en geleerd dat Johannes de Doper de Elia was die komen zou; dat hij een maanzieke heeft genezen, zijn dood en opstanding opnieuw heeft voorzegd, en de tempelbelasting heeft betaald (hoofdstuk 17). Dat hij zijn discipelen heeft vermaand tot nederigheid; dat zij ergernis moeten mijden, de slechte begeerten moeten weerstaan en de geringen niet moeten verachten, door een gelijkenis van een verloren schaap; hoe men een broeder die gezondigd heeft moet vermanen en hem zijn vergrijp moet vergeven, met een gelijkenis van een koning die zijn dienaar tienduizend talenten kwijtschold (hoofdstuk 18). Dat men zijn vrouw niet mag verlaten dan wegens hoererij; hij leert voor wie het huwelijk noodzakelijk is; hij zegent de kleine kinderen; hij wijst een jongeman aan wat hij moet doen als hij door eigen kracht het eeuwige leven wil verkrijgen; hoe moeilijk de rijken zalig kunnen worden; en welk loon degenen zullen hebben die alles om zijnentwil verlaten (hoofdstuk 19). Dat hij door een gelijkenis van arbeiders die in de wijngaard gehuurd werden leert dat het loon door God uit genade gegeven wordt; zijn lijden voorzegt; de moeder van de zonen van Zebedeüs bestraft over haar eerzuchtige verzoek, en zijn apostelen vermaant dat zij niet moeten streven naar hoogheid; twee blinden ziende maakt (hoofdstuk 20). Dat hij zijn koninklijke intocht in Jeruzalem houdt; een onvruchtbare vijgenboom vervloekt; in de tempel met de priesters twist over zijn gezag en zijn persoon (hoofdstuk 21). Door een gelijkenis van de tot de bruiloft genodigden leert hij dat er in de uiterlijke gemeente altijd huichelaars zijn, en dat de ware leden met het geloof, als met een bruiloftskleed, bekleed moeten zijn. Dat men de keizer belasting moet betalen; dat men na de opstanding niet zal trouwen; dat Gods wet in het kort hierin bestaat dat men God en zijn naaste liefheeft; dat hij niet alleen een zoon, maar ook een Heere van David is (hoofdstuk 22). Hij waarschuwt zijn discipelen voor de farizeeën, dat zij wel moeten aannemen wat zij uit Mozes en de profeten leren, maar hun hoogmoed en huichelarij niet moeten navolgen, en ook hun valse leer niet moeten aanhangen; en hij kondigt hun het eeuwige wee aan, zowel om hun huichelarij als om hun moorddadigheid (hoofdstuk 23). Hij voorzegt de verwoesting van de tempel en van de stad Jeruzalem, met de tekenen die daaraan, evenals aan zijn tweede komst, zullen voorafgaan; en hij vermaant tot waken en bidden (hoofdstuk 24). Door gelijkenissen van tien maagden die de komst van de bruidegom verwachtten, en van de dienaren aan wie de heer talenten had uitgedeeld om daarmee winst te maken, beschrijft hij zijn laatste komst ten oordeel (hoofdstuk 25). Dat hij zijn lijden, dat nu aanstaande was, opnieuw voorzegt; dat de oversten beraadslaagden om hem gevangen te nemen, met wie Judas onderhandelt om hem over te leveren; dat hij de verrader bij zijn discipelen onthult; het Pascha eet met zijn discipelen, en in plaats daarvan het Heilig Avondmaal instelt; de vlucht van de discipelen en de verloochening van Petrus voorzegt; hoe hij zijn lijden begint in de hof met grote benauwdheid en gebed; hoe hij verraden en gevangengenomen wordt, geboeid naar Kajafas geleid, verhoord en ter dood veroordeeld wordt; hoe Petrus hem driemaal verloochent (hoofdstuk 26). Dat Judas berouw krijgt en zich verhangt. Dat Christus naar Pilatus wordt gebracht, die tevergeefs probeert hem te redden en hem ten slotte overlevert om gekruisigd te worden, nadat hij bespot en gegeseld was; dat hij, terwijl hij zijn kruis draagt, de stad uit geleid wordt, waar zijn kleren hem worden uitgetrokken en daarover het lot geworpen wordt, en dat hij aan het kruis genageld wordt met twee misdadigers, sterft terwijl hij door vele wondertekenen toont wie hij was, en begraven wordt (hoofdstuk 27). Dat hij op de derde dag weer opstaat uit de doden en zich aan enkele vrouwen en aan zijn discipelen weer levend heeft getoond, aan wie hij opdracht geeft het Evangelie in de hele wereld te prediken (hoofdstuk 28).