BijbelMattheüs

Mattheüs 15

Lees Mattheüs 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De discipelen van Christus, beschuldigd door de schriftgeleerden en Farizeeën omdat zij met ongewassen handen aten, worden door Christus verdedigd, Die hun huichelarij bestraft en de menselijke inzettingen verwerpt. 10 Hij leert dat hun aanstoot niet te achten is en wat het is dat de mens werkelijk verontreinigt. 22 Hij werpt de duivel uit de dochter van een Kanaänitische vrouw 30 en geneest allerlei gebrekkige mensen. 32 Hij verzadigt met zeven broden en weinig visjes vierduizend mannen.

1Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeën, die van Jeruzalem waren, zeggende:

2Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting van de ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.

3Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God, door uw inzetting?

4Want God heeft geboden, zeggende: Eer uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.

5Maar u zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder in geen geval zal eren, die voldoet.

6En u hebt zo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.

7U huichelaars! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:

8Dit volk nadert Mij met hun mond, en eer Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;

9Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende onderwijzingen, die geboden van mensen zijn.

10En als Hij de menigte tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen: Hoor en verstaat.

11Wat in de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar wat in de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens.

12Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet U wel, dat de Farizeën deze rede horende, aanstoot hebben genomen?

13Maar Hij, antwoordende zei: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.

14Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.

15En Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

16Maar Jezus zei: Bent ook u alsnog onwetend?

17Verstaat u nog niet, dat al wat in de mond ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?

18Maar die dingen, die in de mond uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelfde ontreinigen de mens.

19Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.

20Deze dingen zijn het, die de mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt de mens niet.

21En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.

22En ziet, een Kananese vrouw, uit die gebied komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! U Zoon van David, ontferm U mijn! mijn dochter is ernstig van de duivel bezeten.

23Maar Hij antwoordde haar niet één woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.

24Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël.

25En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!

26Maar Hij antwoordde en zei: Het is niet passend het brood van de kinderen te nemen, en de hondjes voor te werpen.

27En zij zei: Ja, Heere! maar de hondjes eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.

28Toen antwoordde Jezus, en zei tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u gebeure, zoals u wilt. En haar dochter werd gezond vanaf dat moment.

29En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op de berg, en zat daar neer.

30En vele menigten zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelfde.

31Zo dat de menigten zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten de God van Israël.

32En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchter van Mij laten, opdat zij op de weg niet bezwijken.

33En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote menigte zouden verzadigen?

34En Jezus zei tot hen: Hoevele broden hebt u? Zij zeiden: Zeven, en weinig visjes.

35En Hij gebood de menigten neer te zitten op de aarde.

36En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de menigte.

37En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot van de stukken brood, zeven volle manden.

38En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.

39En de menigten van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in het gebied van Magdala.