Mattheüs 16
Lees Mattheüs 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De Farizeeën en Sadduceeën eisen een teken, maar worden door Christus bestraft en op het teken van Jona gewezen. 5 Christus waarschuwt Zijn discipelen voor hun zuurdesem. 13 Verschillend oordeel van het gewone volk over Christus. 15 De belijdenis van Petrus over Hem, die Christus prijst, en Hij belooft hem de sleutels van het hemelrijk. 21 Hij voorzegt Zijn dood en opstanding en verwerpt het verkeerde afraden van Petrus. 24 Hoe men Christus moet navolgen en de ziel moet bewaren. 27 Over de komst van Christus in Zijn heerlijkheid.
1En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen.
2Maar Hij antwoordde, en zei tot hen: Als het avond geworden is, zegt u: Schoon weer; want de hemel is rood;
3En van de morgen: Vandaag onweer; want de hemel is droevig rood. U huichelaars! het aangezicht van de hemel weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet onderscheiden?
4Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.
5En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mee te nemen.
6En Jezus zei tot hen: Zie toe, en wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën.
7En zij overlegden bij zichzelf, zeggende: Het is omdat wij geen broden mee genomen hebben.
8En Jezus, dat wetende, zei tot hen: Wat overlegt u bij uzelf, u kleingelovigen! dat u geen broden mee genomen hebt?
9Verstaat u nog niet? en gedenkt u niet aan de vijf broden van de vijf duizend mannen; en hoevele manden u opnam?
10Noch aan de zeven broden van de vier duizend mannen, en hoevele manden u opnam?
11Hoe verstaat u niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zei, dat u zich wachten zou van het zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën.
12Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van het zuurdesem van het brood, maar van de leer van de Farizeën en Sadduceën?
13Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
14En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia of één van de profeten.
15Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u, dat Ik ben?
16En Simon Petrus, antwoordende, zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.
17En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig bent u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
18En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen.
19En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en zo wat u zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.
20Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus.
21Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden.
22En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U in geen geval gebeuren.
23Maar Hij, Zich omkerende, zei tot Petrus: Ga weg achter Mij, satan! u bent Mij een aanstoot, want u verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die van de mensen zijn.
24Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij.
25Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden.
26Want wat baat het een mens, zo hij de hele wereld gewint, en lijdt schade van zijn ziel? Of wat zal een mens geven, tot losprijs van zijn ziel?
27Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen.
28Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, voordat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.