BijbelMattheüs

Mattheüs 18

Lees Mattheüs 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus leert door het voorbeeld van een kind wie de grootste is in het Koninkrijk der hemelen, 6 welke straf zij verdienen die aanstoot geven, 8 hoe nauw men zich ervoor moet wachten de kleinen te ergeren, voor wie zelfs de engelen zorgen, 11 en dat Christus gekomen is om hen zalig te maken, zoals Hij verklaart door de gelijkenis van een verloren schaap. 15 Hoe men zal handelen met een broeder die tegen ons gezondigd heeft, en wat hierin het ambt en de macht van de gemeente is. 19 Hoe krachtig het gemeenschappelijke gebed van de gelovigen is. 21 Dat men altijd bereid moet zijn te vergeven, hetgeen verklaard wordt door de gelijkenis van een koning die met zijn knechten afrekening houdt.

1Op dat moment kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk van de hemelen?

2En Jezus een kind tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;

3En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u zich niet verandert, en wordt zoals de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan.

4Zo wie dan zichzelf zal vernederen, zoals dit kind, deze is de meeste in het Koninkrijk van de hemelen.

5En zo wie zulk een kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.

6Maar zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ten val brengt, het was hem beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken was in de diepte van de zee.

7Wee de wereld vanwege de struikelblokken, want het is noodzakelijk, dat de struikelblokken komen; maar wee die mens, door welke het struikelblok komt!

8Als dan uw hand of uw voet u doet struikelen, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.

9En als uw oog u doet struikelen, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.

10Zie toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

11Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.

12Wat denkt u, als enig mens honderd schapen had, en een daaruit afgedwaald was, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?

13En als het gebeurt, dat hij hetzelfde vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelfde, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.

14Zo is de wil niet van uw Vader, Die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga.

15Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen.

16Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.

17En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.

18Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen.

19Opnieuw zeg Ik u: Als er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal gebeuren van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.

21Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heere! hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?

22Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.

23Daarom wordt het Koninkrijk van de hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienaren houden wilde.

24Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht één, die hem schuldig was tien duizend talenten.

25En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.

26De dienaar dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heere! wees geduldig over mij, en ik zal u alles betalen.

27En de heer van deze dienaar, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.

28Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden één van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent.

29Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees geduldig over mij, en ik zal u alles betalen.

30Maar hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.

31Als nu zijn mededienstknechten zagen, wat gebeurd was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hun heer al wat er gebeurd was.

32Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zei tot hem: U slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat u mij gebeden hebt;

33Behoorde u ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, zoals ik ook mij over u ontfermd heb?

34En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem de pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.

35Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet van harte vergeeft ieder zijn broeder zijn misdaden.