Mattheüs 26
Lees Mattheüs 26 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus voorzegt opnieuw Zijn dood, 3 waarover de oversten van de Joden beraadslagen. 6 Hij wordt in Bethanië door een vrouw gezalfd, 10 wier daad Hij verdedigt en prijst. 14 Judas verkoopt Christus. 17 Christus laat het pascha bereiden en eet het met Zijn discipelen, en voorzegt het verraad van Judas. 26 Daarna stelt Hij Zijn avondmaal in. 31 Hij voorzegt Zijn discipelen hun verstrooiing en aan Petrus zijn val. 36 Hij begint Zijn lijden in een hof met grote benauwdheid en sterk gebed, en vermaant Zijn discipelen, die sliepen, tot waken en bidden. 47 Hij wordt door Judas verraden met een kus en door de Joden gevangengenomen. 51 Hij bestraft Petrus, die de dienstknecht van de hogepriester een oor afhouwt. 57 Hij wordt voor de raad bij Kajafas gebracht, 59 door valse getuigen aangeklaagd. 63 Hij belijdt dat Hij de Christus is. 65 Hij wordt daarover als een godslasteraar veroordeeld en smadelijk mishandeld. 69 Petrus verloochent Christus. 75 Hij komt tot inkeer en beweent zijn val.
1En het is gebeurd, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zei:
2U weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.
3Toen verzamelden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen van het volk, in de zaal van de hogepriester, die genoemd was Kajafas;
4En zij beraadslaagden samen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden.
5Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer wordt onder het volk.
6Als nu Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse,
7Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.
8En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?
9Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen de armen gegeven worden.
10Maar Jezus, dat verstaande, zei tot hen: Waarom doet u deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewerkt.
11Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd.
12Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.
13Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook tot haar herinnering gesproken worden van wat zij gedaan heeft.
14Toen ging één van de twaalven, genoemd Judas Iskariot, tot de overpriesters,
15En zei: Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.
16En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.
17En op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt U, dat wij U bereiden het pascha te eten?
18En Hij zei: Ga heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.
19En de discipelen deden, zoals Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.
20En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.
21En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u, Mij zal verraden.
22En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon ieder van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?
23En Hij, antwoordende, zei: Die de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.
24De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar wee die mens, door welke de Zoon des mensen verraden wordt; het was hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.
25En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: U hebt het gezegd.
26En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam.
27En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drink allen daaruit;
28Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden.
29En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op die dag, wanneer Ik met u dezelfde nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.
30En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg.
31Toen zei Jezus tot hen: U zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
32Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
33Maar Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.
34Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat u in deze zelfde nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij drie keer zult verloochenen.
35Petrus zei tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U in geen geval verloochenen! Evenzo zeiden ook al de discipelen.
36Toen ging Jezus met hen in een plaats genoemd Gethsemane, en zei tot de discipelen: Zit hier neer, totdat Ik heenga, en daar zal gebeden hebben.
37En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeüs, begon Hij droevig en zeer angstig te worden.
38Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijf hier en waakt met Mij.
39En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, zoals Ik wil, maar zoals U wilt.
40En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zei tot Petrus: Kunt u dan niet één uur met Mij waken?
41Waak en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
42Opnieuw voor de tweede keer heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Als deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil gebeure!
43En komende bij hen, vond Hij hen opnieuw slapende; want hun ogen waren bezwaard.
44En hen latende, ging Hij opnieuw heen, en bad voor de derde keer, zeggende dezelfde woorden.
45Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zei tot hen: Slaap nu voort, en rust; zie, het uur is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaren.
46Sta op, laat ons gaan; zie, hij is nabij, die Mij verraadt.
47En als Hij nog sprak, ziet, Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen van het volk.
48En die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, Dezelfde is het, grijpt Hem.
49En meteen komende tot Jezus, zei hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.
50Maar Jezus zei tot hem: Vriend! waartoe bent u hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
51En zie, één van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienaar van de hogepriester, hieuw zijn oor af.
52Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weer in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.
53Of denkt u, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?
54Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het zo gebeuren moet?
55Op dat moment sprak Jezus tot de menigten: U bent uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in de tempel, en u hebt Mij niet gegrepen;
56Maar dit alles is gebeurd, opdat de Schriften van de profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.
57Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen verzameld waren.
58En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal van de hogepriester, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.
59En de overpriesters, en de ouderlingen, en de hele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.
60En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch niet.
61Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken, en in drie dagen dezelfde opbouwen.
62En de hogepriester, opstaande, zei tot Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze tegen U?
63Maar Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt, of U bent de Christus, de Zoon van God?
64Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel.
65Toen verscheurde de hogepriester zijn kleren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.
66Wat denkt u? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is de dood schuldig.
67Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.
68En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?
69En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: U was ook met Jezus, de Galileër.
70Maar hij ontkende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat u zegt.
71En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zei tot degenen, die daar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener.
72En hij ontkende het opnieuw met een eed, zeggende: Ik ken de Mens niet.
73En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Werkelijk, u bent ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.
74Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken de Mens niet.
75En meteen kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En naar buiten gaande, huilde hij bitter.