Mattheüs 6
Lees Mattheüs 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus onderwijst hoe men aalmoezen moet geven, 5 hoe men moet bidden, 16 hoe men moet vasten, 19 wat voor schatten men moet verzamelen, 22 hoe het verstand gericht moet zijn, 24 dat men geen twee heren kan dienen, 25 dat men de zorg voor lichamelijke behoeften aan God moet bevelen, 33 en bovenal het Koninkrijk van God moet zoeken.
1Heb acht, dat u uw liefdegave niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.
2Wanneer u dan een liefdegave doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.
3Maar als u een liefdegave doet, zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet;
4Opdat uw liefdegave in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.
5En wanneer u bidt, zo zult u niet zijn gelijk de huichelaars; want die plegen graag, in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
6Maar u, wanneer u bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
7En als u bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.
8Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat u nodig hebt, voordat u Hem bidt.
9U dan bidt zo: Onze Vader, Die in de hemelen bent! Uw Naam worde geheiligd.
10Uw Koninkrijk kome. Uw wil gebeure, gelijk in de hemel zo ook op de aarde.
11Geef ons vandaag ons dagelijks brood.
12En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, amen.
14Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
15Maar als u de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.
16En wanneer u vast, toont geen droevig gezicht, zoals de huichelaars; want zij mismaken hun gezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.
17Maar u, als u vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;
18Opdat het van de mensen niet gezien wordt, als u vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
19Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;
20Maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
21Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
22De kaars van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw hele lichaam verlicht wezen;
23Maar als uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Als dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelf zijn!
24Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de één haten en de anderen liefhebben, of hij zal de één aanhangen en de anderen verachten; u kunt niet God dienen en de mammon.
25Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u zich kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
26Aanziet de vogels des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt toch dezelfde; gaat u dezelfde niet zeer veel te boven?
27Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
28En wat bent u bezorgd voor de kleding? Let op de leliën van het veld, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
29En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk één van deze.
30Als nu God het gras van het veld, dat vandaag is, en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, u kleingelovigen?
31Daarom wees niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden?
32Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat u al deze dingen nodig hebt.
33Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
34Wees dan niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.