BijbelMicha

Micha 1

Lees Micha 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Micha's vaderland, beroep en de tijd van zijn profeteren, vers 1. bekendmaking van Gods komst om zijn volk te oordelen vanwege hun afgoderij, 2. profetie en profetische uitbeelding van de verwoesting en ellende die Israël en Juda in het algemeen, en verschillende plaatsen in het bijzonder, zouden overkomen, en hen reeds drukten, 6.

1Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.

2Hoor, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook van die volheid! Adonai JAHWEH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heere uit de tempel van Zijn heiligheid.

3Want zie, JAHWEH gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal neerdalen en treden op de hoogten van de aarde.

4En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.

5Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis van Israël; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?

6Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop van het veld, tot plantingen van een wijngaard; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.

7En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon verzameld, en zij zullen tot hoerenloon terugkeren.

8Hierom zal ik luid weeklagen bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal luid weeklagen maken als de draken, en treuren als de jonge struisvogels.

9Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort van mijn volk, tot aan Jeruzalem.

10Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.

11Ga door, u inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; klaagzang is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van u nemen.

12Want de inwoneres van Maroth is ziek vanwege de goeds; want een kwaad is van JAHWEH afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.

13Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van Lachis! (deze is van de dochter van Sion het begin van de zonde) want in u zijn Israëls overtredingen gevonden.

14Daarom geef geschenken aan Morescheth-gaths; de huizen van Achzib zullen de koningen van Israël tot een leugen zijn.

15Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, u inwoneres van Maresa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid van Israël.

16Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de adelaar, omdat zij als gevangene van u zijn weggevoerd.