Bijbel

Numeri

Oude Testament · 36 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

De Grieken hebben dit boek Arithmoi genoemd, welk woord in het Latijn vertaald wordt met Numeri en in onze Nederlandse taal met Getallen of Tellingen. De reden voor deze naam is dat in dit boek vele tellingen beschreven zijn die op bevel van God onder zijn volk hebben plaatsgevonden toen het door de woestijn reisde, namelijk van de Israëlieten en van de Levieten. Toch zijn er, behalve deze tellingen, vele andere dingen in dit boek opgenomen. Want hier vinden wij de ordening waarnaar de twaalf stammen rondom de tabernakel moesten legeren en die zij bij het opbreken moesten gebruiken. Hier wordt ook gesproken over de ambten van de priesters en Levieten, over hun onderhoud en over de wonderbare bevestiging van hun priesterschap. Hier zijn ceremoniële, zedelijke en burgerlijke wetten, en wetten van gemengde aard. Hier is de geheel wonderlijke en bijzondere wijze beschreven waarop het God behaagd heeft de Israëlieten door de woestijn naar het beloofde land te leiden. Vele gebeurtenissen die op deze reis voorvielen, worden verhaald; de oorzaken, middelen en uitkomsten daarvan geven allerlei onderwijs en waarschuwing, zowel voor het burgerlijke als voor het kerkelijke leven, aan alle mensen. Na de oprichting en heiliging van de tabernakel hebben de oversten van de twaalf stammen die met hun giften en offers openlijk geëerd. Van verschillende gevallen van gemor en oproer van het ondankbare volk tegen God en zijn dienaar Mozes, en van de straffen die daarop volgden, worden hier huiveringwekkende voorbeelden gevonden. Ondertussen wordt Mozes in de last van zijn bestuur gesteund door de hulp van zeventig oudsten. Toch krijgt hij met vele moeilijkheden te maken, zelfs van zijn broer Aäron en zijn zuster Mirjam. Op de verkenning van het land Kanaän volgen, door het kwade verslag van de meeste verkenners en het gemor van het volk, zware plagen, die sommigen meteen troffen en die de anderen nog te wachten stonden, die in de woestijn moesten ronddwalen en sterven, tot het veertigste jaar na hun uittocht uit Egypte. Daarnaast worden nog andere zonden, zowel van enkelingen als van velen, met hun straffen in dit boek beschreven. Ook worden de deugden en goede werken van de vromen niet verzwegen, evenmin als de beloning die hun was toegezegd. Verder openbaart zich in dit boek op de allerhoogste wijze de onbegrijpelijke barmhartigheid van God: in het verhoren van de gebeden van Mozes, zijn trouwe dienaar, in het vergeven van de zonden van zeer weerspannige en oproerige mensen, en in het voortdurend bewijzen van verschillende weldaden. Deze waren deels geestelijk, bestaande in het onderhouden van de ware leer en de juiste eredienst; deels lichamelijk, gelegen in verlossingen van geweldige vijanden, in heerlijke overwinningen daarover en in zeer milde gaven van vele andere tijdelijke goederen. Ten slotte wordt hier verhaald hoe de Israëlieten zich gereedmaakten om te komen in het bezit van het land Kanaän, waarvan ook de grenzen hier beschreven worden. Dit doen zij op bevel van God, door de stammen Ruben en Gad en de halve stam Manasse het land dat zij aan deze zijde van de Jordaan hadden ingenomen, tot hun erfdeel toe te wijzen, en door zowel over de verdeling van het land Kanaän als over de afzondering van enkele steden en plaatsen daarin (waarvan sommige aan de Levieten zouden toebehoren en andere tot vrijsteden zouden dienen) een ordening vast te stellen. Dit boek omvat de geschiedenis van achtendertig jaar en negen maanden, te weten van de tweede maand van het tweede jaar na de uittocht uit Egypte tot het begin van de elfde maand van het veertigste jaar.