Numeri 11
Lees Numeri 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Gemopper van het volk, met de straf, afloop en gevolgen daarvan, vers 1, enz. Nog een ander gemopper, voortkomend uit verlangen naar vlees en ander voedsel, met verachting van het manna, 4. dat hier beschreven wordt, 7. Mozes klaagt hierover bij God en wenst van zijn ambt ontslagen te worden, 10. God gebiedt dat hij zeventig van de oudsten van Israel voor de tabernakel zou verzamelen, die hem de last zouden helpen dragen, 16. Hij belooft het volk vlees te eten te geven, 18. berispt Mozes, omdat het hem onmogelijk leek, 21. De zeventig mannen worden geroepen en met nodige gaven begiftigd, 24. God geeft de Israelieten kwartels, die zij eten, 31. maar zij worden daarover met een grote plaag getroffen, 33. en zij trekken verder, 35.
1En het gebeurde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van JAHWEH; want JAHWEH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van JAHWEH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van het leger.
2Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot JAHWEH; en het vuur werd gedempt.
3Daarom noemde hij de naam van die plaats Thab-era, omdat het vuur van JAHWEH onder hen gebrand had.
4En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo huilden ook de Israëlieten opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
5Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de uien, en aan het knoflook.
6Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!
7Het Man nu was als korianderzaad, en zijn kleur was als de kleur van de bedolah.
8Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stootte het in mortieren, en kookte het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie.
9En wanneer de dauw in de nacht op het leger neerviel, viel het Man daarop neer.
10Toen hoorde Mozes het volk huilen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur van zijn hut; en de toorn van JAHWEH ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.
11En Mozes zei tot JAHWEH: Waarom hebt U aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat U de last van dit hele volk op mij legt?
12Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat U tot mij zou zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaders gezworen hebt?
13Vanwaar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij huilen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten!
14Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar!
15En als U zo aan mij doet, dood mij toch slechts, als ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!
16En JAHWEH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en daarvan voormannen zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.
17Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt.
18En tot het volk zult u zeggen: Heiligt u tegen morgen, en u zult vlees eten; want u hebt voor de oren van JAHWEH geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal JAHWEH u vlees geven, en u zult eten.
19U zult niet één dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen;
20Tot een hele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; omdat u JAHWEH, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?
21En Mozes zei: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in het midden waarvan ik ben; en U hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een hele maand eten!
22Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?
23Maar JAHWEH zei tot Mozes: Zou dan de hand van JAHWEH verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u overkomen zal, of niet.
24En Mozes ging uit, en sprak de woorden van JAHWEH tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten van het volk, en stelde hen rondom de tent.
25Toen kwam JAHWEH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het gebeurde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.
26Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; van de ene naam was Eldad, en van de andere naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.
27Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zei: Eldad en Medad profeteren in het leger.
28En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, één van zijn uitgelezen jongemannen, antwoordde en zei: Mijn heer Mozes, verbied hun!
29Maar Mozes zei tot hem: Bent u voor mij ijverende? Och, of al het volk van JAHWEH profeten waren, dat JAHWEH Zijn Geest over hen gave!
30Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israël.
31Toen voer een wind uit van JAHWEH, en raapte kwartels van de zee, en strooide ze bij het leger, ongeveer een dagreize herwaarts, en ongeveer een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren ongeveer twee ellen boven de aarde.
32Toen maakte zich het volk op, die hele dag, en die hele nacht, en de gehele volgende dag, en verzamelden de kwartels; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkaar rondom het leger.
33Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen het volk, en JAHWEH sloeg het volk met een zeer grote plaag.
34Daarom heet men de naam van die plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.