BijbelNumeri

Numeri 16

Lees Numeri 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Korach, Dathan en Abiram maken oproer tegen Mozes en Aaron, vers 1, enz. Hoe Mozes zich daartegen gedragen heeft, 4. De oproermakers worden vreselijk door God gestraft, 31. Hun wierookvaten worden ter gedachtenis en waarschuwing bewaard, 36. Het volk mort over de ondergang van de oproermakers, waarover 14700 door vuur verteerd worden, 41. Aaron stilt op Mozes' bevel de plaag, 46.

1Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben.

2En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de Israëlieten, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam.

3En zij verzamelden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze hele vergadering, zij allen, zijn heilig, en JAHWEH is in het midden van hen; waarom dan verheft u zich over de gemeente van JAHWEH?

4Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.

5En hij sprak tot Korach, en tot zijn hele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal JAHWEH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen.

6Doe dit: neem u wierookvaten, Korach en zijn hele vergadering;

7En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht van JAHWEH; en het zal gebeuren, dat de man, die JAHWEH verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, u, kinderen van Levi!

8Verder zei Mozes tot Korach: Hoor toch, u, kinderen van Levi!

9Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de gemeenschap van Israël heeft afgescheiden, om u tot Zich te doen naderen; om de dienst van de tabernakel van JAHWEH te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen?

10Daar Hij u, en al uw broers, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt u nu ook het priesterambt?

11Daarom u, en uw hele vergadering, u bent verzameld tegen JAHWEH, want Aäron, wat is hij, dat u tegen hem mort?

12En Mozes zond heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!

13Is het te weinig, dat u ons uit een land, van melk en honing vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat u ook uzelf ten enenmaal over ons tot een heerser maakt?

14Ook hebt u ons niet gebracht in een land, dat van melk en honing vloeit, noch ons akkers en wijngaarden als erfdeel gegeven. Zult u de ogen van deze mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!

15Toen ontstak Mozes zeer, en hij zei tot JAHWEH: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet één ezel van hen genomen, en niet één van hen kwaad gedaan.

16Verder zei Mozes tot Korach: U, en uw hele vergadering, wees voor het aangezicht van JAHWEH; u, en zij, ook Aäron, op morgen.

17En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht van JAHWEH, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook u, en Aäron, een ieder zijn wierookvat.

18Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent van de samenkomst, ook Mozes en Aäron.

19En Korach deed de hele gemeenschap tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent van de samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid van JAHWEH aan deze hele vergadering.

20En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:

21Scheid u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een ogenblik verteren!

22Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! één enig man zal gezondigd hebben, en zult U Zich over deze hele vergadering enorm vertoornen?

23En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

24Spreek tot deze vergadering, zeggende: Ga op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.

25Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram; en achter hem gingen de oudsten van Israël.

26En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijk toch af van de tenten van deze goddeloze mannen, en roert niets aan van wat hun is, opdat u niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.

27Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur van hun tenten, met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderen.

28Toen zei Mozes: Hieraan zult u bekennen, dat JAHWEH mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.

29Als deze zullen sterven, zoals alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar de bezoeking van alle mensen, zo heeft mij JAHWEH niet gezonden.

30Maar als JAHWEH wat nieuws zal scheppen, en de aarde zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat van hen is, en zij levend naar het dodenrijk zullen neervaren; dan zult u bekennen, dat deze mannen JAHWEH getergd hebben.

31En het gebeurde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd de aarde, dat onder hen was, gekloofd;

32En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en alle mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen.

33En zij voeren neer, zij en alles wat van hen was, levend naar het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden van de gemeente.

34En het hele Israël, dat rondom hen was, vluchtte voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!

35Daartoe ging een vuur uit van JAHWEH, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.

36En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

37Zeg tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat hij de wierookvaten uit de brand opneme; en strooi het vuur verre weg; want zij zijn heilig;

38Te weten de wierookvaten van deze, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht van JAHWEH, daarom zijn zij heilig; en zij zullen de Israëlieten tot een teken zijn.

39En Eleazar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar;

40Ter nagedachtenis voor de Israëlieten, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van JAHWEH; opdat hij niet wordt als Korach, en zijn vergadering, zoals hem JAHWEH door de dienst van Mozes gesproken had.

41Maar op de andere dag morde de hele gemeenschap van de Israëlieten tegen Mozes en tegen Aäron, zeggende: U hebt het volk van JAHWEH gedood!

42En het gebeurde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen.

43Mozes nu en Aäron kwamen tot voor de tent van de samenkomst.

44Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

45Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten.

46En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht van JAHWEH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.

47En Aäron nam het, zoals Mozes gesproken had, en liep in het midden van de gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk.

48En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; zo werd de plaag opgehouden.

49Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, afgezien van die gestorven waren om de zaak van Korach.

50En Aäron keerde weer tot Mozes aan de deur van de tent van de samenkomst; en de plaag was opgehouden.