BijbelNumeri

Numeri 17

Lees Numeri 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God bevestigt Aarons roeping door het wonderbaarlijke bloeien van alleen zijn staf, vers 1, enz. Die ter gedachtenis wordt weggelegd, 10. Het volk wordt hierdoor zeer verschrikt en zoekt troost bij Mozes, 12.

1Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende:

2Spreek tot de Israëlieten, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis van hun vaders, twaalf staven; de naam van ieder zult u schrijven op zijn staf.

3Maar Aärons naam zult u schrijven op de staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het hoofd van het huis van hun vaders.

4En u zult ze wegleggen in de tent van de samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.

5En het zal gebeuren, dat de staf van de man, die Ik zal gekozen hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen het geklaag van de Israëlieten tegen Mij, dat zij tegen u morden.

6Mozes dan sprak tot de Israëlieten, en al hun oversten gaven aan hem een staf, voor elke overste een staf, naar het huis van hun vaders, twaalf staven; Aärons staf was ook onder hun staven.

7En Mozes legde deze staven weg, voor het aangezicht van JAHWEH, in de tent van het getuigenis.

8Het gebeurde nu op de andere dag, dat Mozes in de tent van het getuigenis inging; en ziet, Aärons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen.

9Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht van JAHWEH, tot al de Israëlieten; en zij zagen het, en namen elk zijn staf.

10Toen zei JAHWEH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun geklaag tegen Mij, dat zij niet sterven.

11En Mozes deed het; zoals JAHWEH hem geboden had, zo deed hij.

12Toen spraken de Israëlieten tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan!

13Al wie enigszins nadert tot de tabernakel van JAHWEH, zal sterven; zullen wij dan de geest gevende verdaan worden?