BijbelNumeri

Numeri 18

Lees Numeri 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God legt aan Aaron en zijn zonen hun ambt voor en voegt de Levieten aan hen toe voor hun dienst, vers 1, enz. Hij verordent het onderhoud van Aaron en zijn zonen, 8. en ook van de Levieten, 21. die van hun tienden aan de hogepriester tienden moesten geven, 25.

1Zo zei JAHWEH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.

2En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam van uw vader, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis.

3En zij zullen uw taak waarnemen, en de taak van de hele tent; maar tot het gereedschap van het heiligdom en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als u.

4Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de taak van de tent van de samenkomst waarnemen, in alle dienst van de tent; en een vreemde zal tot u niet naderen.

5U nu zult waarnemen de taak van het heiligdom, en de taak van het altaar; opdat er geen toorn meer zij over de Israëlieten.

6Want Ik, zie, Ik heb uw broers, de Levieten, uit het midden van de Israëlieten genomen; zij zijn u een gave, gegeven aan JAHWEH, om de dienst van de tent van de samenkomst te bedienen.

7Maar u, en uw zonen met u, zult uw priesterambt waarnemen in alle zaken van het altaar, en in wat van binnen het voorhangsel is, dat zult u bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst van een geschenk; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.

8Verder sprak JAHWEH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de taak van Mijn hefoffers, met alle heilige dingen van de Israëlieten heb Ik ze u gegeven, omwille van de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.

9Dit zult u hebben van de heiligheid van de heiligheden, uit het vuur: al hun offergaven, met al hun voedseloffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een heiligheid van de heiligheden zijn.

10Aan het allerheiligste zult u dat eten; al wat mannelijk is zal dat eten; het zal u een heiligheid zijn.

11Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer van hun gave, met alle beweegoffers van de Israëlieten; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.

12Al het beste van de olie, en al het beste van de nieuwe wijn, en van koren, hun eerstelingen, die zij JAHWEH zullen geven, u heb Ik ze gegeven.

13De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij JAHWEH zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.

14Al het verbannene in Israël zal het uwe zijn.

15Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij JAHWEH zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; maar de eerstgeborenen van de mensen zult u geheel lossen; ook zult u lossen de eerstgeborenen van de onreine beesten.

16Die nu daaronder gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkels, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera.

17Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult u niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult u sprenkelen op het altaar, en hun vet zult u aansteken, tot een vuuroffer van liefelijke reuk voor JAHWEH.

18En hun vlees zal het uwe zijn; zoals de beweegborst, en zoals de rechterschouder, zal het uwe zijn.

19Alle hefoffers van de heilige dingen, die de Israëlieten JAHWEH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, voor u en voor uw zaad met u.

20Ook zei JAHWEH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de Israëlieten.

21En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst.

22En de Israëlieten zullen niet meer naderen tot de tent van de samenkomst, om zonde te dragen en te sterven.

23Maar de Levieten, die zullen bedienen de dienst van de tent van de samenkomst, en die zullen hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw generaties; en in het midden van de Israëlieten zullen zij geen erfenis erven.

24Want de tienden van de Israëlieten, die zij JAHWEH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de Israëlieten geen erfenis erven.

25En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

26U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de Israëlieten de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van hen gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van JAHWEH offeren, de tienden van die tienden;

27En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van de dorsvloer, en als de volheid van de perskuip.

28Zo zult u ook een hefoffer van JAHWEH offeren van al uw tienden, die u van de Israëlieten zult hebben ontvangen; en u zult daarvan het hefoffer van JAHWEH geven aan de priester Aäron.

29Van al uw gaven zult u alle hefoffer van JAHWEH offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan.

30U zult dan tot hen zeggen: Als u het beste daarvan offert, zo zal het de Levieten toegerekend worden als een inkomen van de dorsvloer, en als een inkomen van de perskuip.

31En u zult dat eten in alle plaatsen, u en uw huis; want het is u een loon voor uw dienst in de tent van de samenkomst.

32Zo zult u daarover geen zonde dragen, als u het beste daarvan offert; en u zult de heilige dingen van de Israëlieten niet ontheiligen, opdat u niet sterft.