BijbelNumeri

Numeri 20

Lees Numeri 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De kinderen van Israel komen in de woestijn Zin, waar Mirjam sterft, vers 1, enz. zij morren om water, 2. De HEERE beveelt Mozes tot de rots te spreken, opdat die water zou geven, 7. Mozes slaat op de rots, 11. De HEERE is verstoord op Mozes en Aaron vanwege hun ongeloof, 12. Mozes verzoekt doortocht door Edom, 14. die hem geweigerd wordt, 18, 20. Op bevel van de HEERE draagt Aaron op de berg Hor zijn hogepriesterambt over aan zijn zoon Eleazar, 23. en hij sterft daar, 28. de hele gemeente beweent hem, 29.

1Als de Israëlieten, de hele gemeenschap, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven.

2En er was geen water voor de vergadering; toen verzamelden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron.

3En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broers voor het aangezicht van JAHWEH de geest gaven!

4Waarom toch hebt u de gemeente van JAHWEH in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

5En waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappels; ook is er geen water om te drinken.

6Toen gingen Mozes en Aäron van het aangezicht van de gemeente tot de deur van de tent van de samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen hun.

7En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende:

8Neem die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broer, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken.

9Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van JAHWEH, zoals Hij hem geboden had.

10En Mozes en Aäron verzamelden de gemeente voor de steenrots, en hij zei tot hen: Hoor toch, u opstandigen, zullen wij water voor u uit deze steenrots hervoorbrengen?

11Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel water uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.

12Daarom zei JAHWEH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb.

13Dit zijn de wateren van Meriba, daar de Israëlieten met JAHWEH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.

14Daarna zond Mozes boden uit Kades tot de koning van Edom, die zeiden: Zo zegt uw broer Israël: U weet al de moeite, die ons ontmoet is;

15Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaders kwaad gedaan hebben.

16Toen riepen wij tot JAHWEH, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, een stad aan het uiterste van uw gebied.

17Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van de putten drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, voordat wij door uw gebied zullen getrokken zijn.

18Maar Edom zei tot hem: U zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!

19Toen zeiden de Israëlieten tot hem: Wij zullen door de gebaande weg optrekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik de prijs daarvoor geven; ik zal alleen, zonder iets anders, te voet doortrekken.

20Maar hij zei: U zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.

21Zo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn gebied te trekken; daarom week Israël van hem af.

22Toen reisden zij van Kades; en de Israëlieten kwamen, de hele gemeenschap, aan de berg Hor.

23JAHWEH nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan de berg Hor, aan de grens van het land van Edom, zeggende:

24Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de Israëlieten gegeven heb, omdat u tegen Mijn mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba.

25Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot de berg Hor.

26En trek Aäron zijn kleren uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven.

27Mozes nu deed, zoals JAHWEH geboden had; want zij klommen op tot de berg Hor, voor de ogen van de hele gemeenschap.

28En Mozes trok Aäron zijn kleren uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf daar, op de top van die berg. Toen kwam Mozes en Eleazar van die berg af.

29Toen de hele gemeenschap zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het hele huis van Israël.