Numeri 22
Lees Numeri 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Balak, de koning van de Moabieten, ontbiedt Bileam om Israel te vervloeken, vers 1, enz. Bileam vraagt de HEERE wat hij doen moest, 8. Die verbiedt hem naar Balak te gaan, 12. Balak ontbiedt hem nog een keer, 15. en de HEERE laat hem gaan, 20. De engel zou hem gedood hebben als zijn ezelin niet opzij was gegaan, 21. en zich onder hem had neergelegd, 27. Bileams ogen worden geopend, zodat hij de engel zag, 31. Die bestraft hem, 32. Hij bekent zijn schuld en is bereid terug te keren, 34. maar de engel laat hem verder trekken, 35. Balak komt Bileam tegemoet en ontvangt hem zeer voornaam, 36. maar welke eer hij hem ook bewijst, hij kan hem niet bewegen Israel te vervloeken, 38.
1Daarna reisden de kinderen van Israël, en sloegen hun kamp op in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.
2Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had;
3Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de Israëlieten.
4Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente afgrazen al wat rondom ons is, zoals de os de groente van het veld afgraast. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten.
5Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen van zijn volk, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.
6En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wie u zegent, die zal gezegend zijn, en wie u vervloekt, die zal vervloekt zijn.
7Toen gingen de oudsten van de Moabieten, en de oudsten van de Midianieten, en hadden het loon van de waarzeggingen in hun hand; zo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden van Balak.
8Hij dan zei tot hen: Overnacht hier deze nacht, zo zal ik u een antwoord teruggeven, zoals JAHWEH tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten van de Moabieten bij Bileam.
9En God kwam tot Bileam en zei: Wie zijn die mannen, die bij u zijn?
10Toen zei Bileam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende:
11Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht van het land bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik daartegen kunnen strijden, of het uitdrijven.
12Toen zei God tot Bileam: U zult met hen niet trekken; u zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.
13Toen stond Bileam 's morgens op, en zei tot de vorsten van Balak: Ga naar uw land; want JAHWEH weigert mij toe te laten met u te gaan.
14Zo stonden dan de vorsten van de Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan.
15Maar Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en voornamer, dan die waren;
16Die tot Bileam kwamen, en hem zeiden: Zo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen!
17Want ik zal u zeer hoog vereren, en al wat u tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk!
18Toen antwoordde Bileam, en zei tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel van JAHWEH van mijn God te overtreden, om te doen klein of groot.
19En nu, blijft u toch ook hier deze nacht, opdat ik wete, wat JAHWEH tot mij verder spreken zal.
20God nu kwam tot Bileam in de nacht, en zei tot hem: Omdat die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en toch zult u dat doen, dat Ik tot u spreken zal.
21Toen stond Bileam 's morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab.
22Maar de toorn van God werd ontstoken, omdat hij op weg ging; en de Engel van JAHWEH stelde Zich in de weg, hem tot een tegenstander; hij reed nu op zijn ezelin, en twee van zijn jongeren waren bij hem.
23De ezelin nu zag de Engel van JAHWEH staande in de weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit de weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bileam de ezelin, om haar naar de weg te doen sturen.
24Maar de Engel van JAHWEH stond in een pad van de wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan de overzijde.
25Toen de ezelin de Engel van JAHWEH zag, zo klemde zij zichzelf aan de wand, en klemde Bileams voet aan de wand; daarom voer hij voort haar te slaan.
26Toen ging de Engel van JAHWEH nog verder, en Hij stond in een nauwe plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechterhand noch ter linkerhand.
27Als de ezelin de Engel van JAHWEH zag, zo legde zij zich neer onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.
28JAHWEH nu opende de mond van de ezelin, die tot Bileam zei: Wat heb ik u gedaan, dat u mij nu drie keer geslagen hebt?
29Toen zei Bileam tot de ezelin: Omdat u mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zou u nu doden.
30De ezelin nu zei tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke u gereden hebt van toen af, dat u mijn heer geweest bent, tot op deze dag? Ben ik ooit gewend geweest u zo te doen? Hij dan zei: Nee!
31Toen ontdekte JAHWEH de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van JAHWEH zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.
32Toen zei de Engel van JAHWEH tot hem: Waarom hebt u uw ezelin nu drie keer geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenstander, omdat deze weg van Mij afwijkt.
33Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu drie keer voor Mijn aangezicht geweken; als zij voor Mijn aangezicht niet geweken was, zeker Ik zou u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben.
34Toen zei Bileam tot de Engel van JAHWEH: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat U mij tegemoet op deze weg stond; en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal terugkeren.
35De Engel van JAHWEH nu zei tot Bileam: Ga heen met deze mannen; maar alleen dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult u spreken. Zo trok Bileam met de vorsten van Balak.
36Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad van de Moabieten, die aan de grens van de Arnon ligt, die aan het uiterste van de grens is.
37En Balak zei tot Bileam: Heb ik niet ernstig tot u gezonden, om u te roepen? Waarom bent u niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren?
38Toen zei Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, dat God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken.
39En Bileam ging met Balak; en zij kwamen te Kirjath-huzzoth.
40Toen slachtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bileam, en aan de vorsten, die bij hem waren.
41En het gebeurde 's morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baäl, dat hij van daar zag het uiterste van het volk.