Numeri 23
Lees Numeri 23 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Balak en Bileam slachten en offeren runderen en rammen, vers 1, enz. God legt een zegen over Israel in Bileams mond, 5. Hierover wordt Balak verstoord, 11. Zij gaan naar een andere plaats om het volk van God te vervloeken, 13. en offeren daar opnieuw, 14. God ontmoet Bileam weer en legt nog een grotere zegen in zijn mond, 16. Balak brengt Bileam naar een derde plaats, waar zij ook offers brengen, 27.
1Toen zei Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen.
2Balak nu deed, zoals Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden een stier en een ram, op elk altaar.
3Toen zei Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan; misschien zal JAHWEH mij tegemoet komen; en wat Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte.
4Als God Bileam ontmoet was, zo zei hij tot Hem: Zeven altaren heb ik gereedgemaakt, en heb een stier en een ram op elk altaar geofferd.
5Toen legde JAHWEH het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer weer tot Balak, en spreek zo.
6Als hij nu tot hem terugkeerde, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van de Moabieten.
7Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël!
8Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar JAHWEH niet scheldt?
9Want van de hoogte van de steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; zie, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.
10Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve de dood van de oprechten, en mijn uiterste zij zoals het zijne!
11Toen zei Balak tot Bileam: Wat hebt u mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, u hebt hen doorgaans gezegend!
12Hij nu antwoordde en zei: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat JAHWEH in mijn mond gelegd heeft?
13Toen zei Balak tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats, vanwaar u hem zult zien; u zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet geheel zien; en vervloek hem mij van daar!
14Zo nam hij hem mee tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een stier en een ram op elk altaar.
15Toen zei hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hem daar ontmoeten.
16Als JAHWEH Bileam ontmoet was, zo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zei: Keer weer tot Balak, en spreek zo.
17Toen hij tot hem kwam, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten van de Moabieten bij hem. Balak nu zei tot hem: Wat heeft JAHWEH gesproken?
18Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Sta op, Balak, en hoor! Neig uw oren tot mij, u, zoon van Zippor!
19God is geen man, dat Hij liegen zou, noch het kind van een mens, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?
20Zie, ik heb ontvangen te zegenen; omdat Hij zegent, zo zal ik het niet keren.
21Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. JAHWEH, zijn God, is met hem, en het geklank van de Koning is bij hem.
22God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.
23Want er is geen toverij tegen Jakob noch waarzeggerij tegen Israël. In deze tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewerkt heeft.
24Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, voordat het de roof gegeten, en het bloed van de verslagenen gedronken zal hebben!
25Toen zei Balak tot Bileam: U zult het geheel noch vloeken, noch in geen geval zegenen.
26Maar Bileam antwoordde en zei tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat JAHWEH spreken zal, dat zal ik doen?
27Verder zei Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan een andere plaats meenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van die God, dat u het mij van daar vervloekt.
28Toen nam Balak Bileam mee tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.
29En Bileam zei tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen.
30Balak nu deed, zoals Bileam gezegd had; en hij offerde een stier en een ram op elk altaar.